Naar hoofdinhoud
Er wordt één gehandicaptenparkeerkaart afgegeven. Als een aanvrager recht heeft op een bestuurderskaart en een passagierskaart, dan wordt dit op de gehandicaptenparkeerkaart aangegeven (artikel 1 lid 2 Regeling gehandicaptenparkeerkaart). De gehandicaptenparkeerkaart moet op zodanige wijze bij de voorruit worden aangebracht, dat de voorzijde ervan buiten het voertuig behoorlijk leesbaar is (artikel 4 Regeling gehandicaptenparkeerkaart). De gehandicaptenparkeerplaats-op-kenteken kan aangevraagd worden op het woonadres en op het werkadres. De geldigheidsduur van een GPK bedraagt in beginsel 5 jaar, gerekend vanaf de dag van afgifte (artikel 51 lid 1 BABW). De geldigheidsduur van de GPK kan worden beperkt als: Van tevoren duidelijk is dat de aanvrager korter dan vijf jaar in aanmerking komt voor een GPK (artikel 51 lid 2 BABW); In deze situatie wordt de geldigheidsduur beperkt tot de te verwachten termijn dat aanspraak op de GPK kan worden gemaakt. De aanvrager tijdelijk in Nederland verblijft (artikel 51 lid 3 BABW); In deze situatie wordt de geldigheidsduur beperkt tot het verblijf in Nederland. De GPK verliest zijn geldigheid door (artikel 53 BABW): Het verstrijken van de geldigheidsduur; Afgifte van een nieuwe gehandicaptenparkeerkaart of een duplicaat gehandicaptenparkeerkaart; Het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen; Het overlijden van de houder. De GPK kan ongeldig verklaard worden als: De GPK is afgegeven op grond van door de aanvrager verschafte onjuiste gegevens en de GPK niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van de gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn; De houder van de GPK gebruik laat maken in de situatie dat het parkeren niet rechtstreeks verband houdt met het vervoer van hemzelf, dan wel van het vervoer van bewoners van de AWBZ-instelling waaraan de gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt (artikel 53 lid 3 jo. artikel 50 BABW). Een gehandicaptenparkeerkaart verliest zijn geldigheid niet indien de belanghebbende naar een andere gemeente verhuist. Indien een GPK zijn geldigheid heeft verloren, levert de belanghebbende aan wie de kaart is verstrekt of, indien deze is overleden, degene die de GPK onder zich heeft, de GPK zo spoedig mogelijk in bij het gezag dat de GPK heeft verstrekt (artikel 54 BABW), in dit geval de gemeente. Het niet inleveren van de GPK, die zijn geldigheid heeft verloren, kan op grond van artikel 59 BABW aangemerkt worden als een strafbaar feit. Oneigenlijk gebruik en/of misbruik Het college kan in de landelijke registratie van de uitgegeven gehandicaptenparkeerkaarten eventueel oneigenlijk gebruik en/of misbruik nader opsporen en heronderzoek uitvoeren. Na het verstrijken van de geldigheidsduur kan belanghebbende opnieuw voor een GPK in aanmerking komen. Hiertoe dient hij zelf tijdig een nieuwe aanvraag in te dienen. In beginsel zal dan ook een nieuw (geneeskundig) onderzoek plaatsvinden. De regels omtrent geldigheid, beperking, verlies van geldigheid en ongeldig verklaring worden van overeenkomstige toepassing geacht op de gehandicaptenparkeerplaats-op-kenteken. Daarnaast geldt, dat een GPP zijn geldigheid verliest, op hetzelfde moment als dat de GPK zijn geldigheid verliest.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel