De heersende bodemkwaliteit past echter niet altijd bij de bodemkwaliteit die op grond van de bodemfunctie gewenst is. Door het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid, kan een gemeente de meest gewenste situatie (balans tussen afwegen risico’s en streven naar optimaal hergebruik van grond) creëren.
Voorbeeld:
In schone woongebieden mag in het Generieke kader alleen schone grond (MW) worden toegepast (de heersende kwaliteit is in dat geval leidend), terwijl gelet op de bodemfunctie (Wonen) het toepassen van klasse Wonen-grond ook milieuhygiënisch verantwoord is. Dit kan mogelijk gemaakt worden door voor deze gebieden een Gebiedsspecifieke toepassingseis (LMW) vast te stellen die het mogelijk maakt om, naast schone grond ook klasse Wonen-grond te kunnen toepassen in schone woongebieden. De toepassingseis sluit dan aan bij de bodemfunctie (niet de heersende bodemkwaliteit, maar de betreffende bodemfunctie wordt daarmee leidend voor de toepassing van grond).
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1.4
Lokale Maximale Waarde (LMW)
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden houdende regels omtrent grondverzet en bodemsanering