Naar hoofdinhoud
Het Gebiedsspecifieke beleid van Vijfheerenlanden is deels strenger en deels ruimer dan het Generieke kade voor het grondverzet. Hieronder worden een aantal voorbeelden genoemd. Strenger: Op gevoelige functies, waaronder kinderspeelplaatsen, mag alleen schone grond toegepast worden. In het Generieke kader mag ook klasse Wonen-grond toegepast worden De hoeveelheid toegestaan bodemvreemd materiaal in toe te passen grond op gevoelige functies is maximaal 5 gewichtsprocenten. In het Generieke kader bedraagt het maximaal toegestane percentage 20 gewichtsprocenten Grond die toepast wordt in particuliere tuinen mag maximaal 100 mg/kg aan lood bevatten. In het Generieke kader mag het loodgehalte niet meer bedragen dan de Maximale Waarde voor klasse Wonen-grond. Voor lood is die bepaald op 210 mg/kg (voor een standaardbodem). Ruimer: In schone woongebieden mag, onder voorwaarden, naast schone grond ook klasse Wonen-grond toegepast worden Grond uit bermen mag, onder voorwaarden, zonder onderzoek, uitgewisseld worden met andere bermen binnen het bodembeheergebied Grond, afkomstig van een boomgaardperceel mag, onder voorwaarden, toegepast worden op andere boomgaardpercelen in het bodembeheergebied Bij graafwerkzaamheden t.b.v. kabels en leidingen hoeft de grond niet gescheiden ontgraven te worden en kan deze grond ook weer geroerd worden teruggeplaatst als aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt Verspreiden van ongerijpte bagger, is onder voorwaarden, ook buiten aangrenzende percelen mogelijk Activiteiten zonder grondverzet zijn, onder voorwaarden, vrijgesteld van fysiek bodemonderzoek. Stand-still op gebiedsniveau De gemeente kiest als uitgangspunt voor haar Gebiedsspecifieke beleid voor het grondverzet: “stand-still op gebiedsniveau”. Het stand-still principe op gebiedsniveau houdt in dat de bestaande bodemkwaliteit binnen een bepaald gebied niet mag verslechteren. Plaatselijke verslechteringen van de bodemkwaliteit binnen dit gebied kunnen alleen toegelaten worden, als dit milieuhygiënisch verantwoord is (dit wordt onderbouwd door een risicotoetsing van de te kiezen lokale norm aan de risicogrenswaarden) én door aan grond afkomstig van buiten dit gebied strengere toepassingseisen te stellen dan aan grond die afkomstig is van binnen dit gebied. Het gebied waarvoor de Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden, wordt het eigen beheergebied (of eigen bodembeheergebied) genoemd. Dit omvat het grondgebied van de eigen gemeente, maar kan ook uitgebreid worden. Dit wordt in de volgende paragraaf toegelicht.

Rechtspraak bij dit artikel