Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 14.

Misdragingen tegenover personen, instanties

Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Als een belanghebbende zich misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van 50 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Van een misdraging in de zin artikel 9 lid 6 van de Participatiewet, of als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, kan alleen sprake zijn als de verwijtbaarheid is vastgesteld en dit gedrag in het normale maatschappelijk verkeer onbetamelijk wordt geacht te zijn. Van het opleggen van de maatregel kan, als alleen sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel