Het college van burgemeester en wethouders legt een maatregel op als een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont met betrekking tot de voorziening in het bestaan, dan wel de verplichtingen die voortvloeien uit de Participatiewet, de IOAW/IOAZ, met uitzondering van de inlichtingenverplichting o.g.v. artikel 17 eerste lid van de wet, artikel 13 eerste lid IOAW/IOAZ en artikel 30 c tweede en derde lid Wet Suwi, dan wel de verplichtingen die in de beschikking tot toekenning, wijziging of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen niet of onvoldoende nakomt, alsmede wanneer een belanghebbende zich jegens het college van burgemeester en wethouders (zeer ernstig) misdraagt.
In het besluit tot het opleggen van een maatregel van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a twaalfde lid en artikel 18 lid 2, 5 en 6 van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38 lid 12 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38 lid 12 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, worden in ieder geval vermeld:
de reden van de maatregel
de duur van de maatregel
het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en
indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardmaatregel.
Een maatregel die voor een periode van langer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt telkens heroverwogen tegen het einde van het tijdvak van drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd.
Hoofdstuk 1
Artikel 2.
Het besluit tot opleggen van een maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ.