Naar hoofdinhoud
Planologische mogelijkheid is leidend Parkeernormen zijn een benadering van de werkelijkheid. Het is denkbaar dat een bepaalde ontwikkeling feitelijk om beduidend minder parkeerruimte vraagt, dan op basis van de normen bepaald wordt. Dat kan bijvoorbeeld duidelijk zichtbaar worden bij een bepaalde uitbreiding: er is dan immers vergelijkingsmateriaal. Het is begrijpelijk dat dit tot onbegrip en weerstand kan leiden bij een ontwikkelende partij. Het is echter wel een gegeven dat er enorme fluctuaties kunnen zijn in het gebruik van een bepaalde voorziening. Het is een gegeven dat bepaalde winkels in één keer veel meer klanten gaan trekken als er een nieuwe eigenaar komt, of dat er een nieuw winkeltype in het pand komt. Vandaar dat de ruimtelijke mogelijkheid (functie) leidend is en niet het praktische gebruik op dat moment. Het is op grond van de rechtspraak noodzakelijk om uit te gaan van een representatieve invulling van hetgeen op grond van een bestemmingsplan planologisch maximaal mogelijk is. Het enkel uitgaan van een concreet bouwplan is onvoldoende, omdat dit veelal gebonden is aan een bepaald momentum of een bepaalde initiatiefnemer. In de toekomst kan een andere partij soms hele andere plannen hebben met de desbetreffende locatie. Dit volgt o.a. uit een uitspraak van de Raad van State m.b.t. een plan in de gemeente Bernheze. Als een plan meer mogelijk maakt dan het concrete bouwplan dat wordt aangevraagd, dan kan dat meerdere niet buiten beschouwing worden gelaten. Inzichtelijk moet namelijk zijn wat een representatieve invulling betekent van hetgeen maximaal mogelijk is. (ABRvS 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1426), Dit blijkt ook uit een uitspraak over een plan in de gemeente Utrecht Een bestemmingsplan voorzag om een (project)omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van het winkelpand/kantoorpand. Volgens de Raad van State was de gemeenteraad ten onrechte niet uitgegaan van wat grond van het plan maximaal aan gebruiksmogelijkheden was toegestaan. Binnen de geldende bestemming was zowel detailhandel mogelijk als een kantoorfunctie. Detailhandel kent evenwel een hogere parkeernorm dan de kantoorfunctie. De gemeente rekende echter uitsluitend met de lagere parkeernorm die voor kantoren gold, omdat voor het kantoor een langlopend contract was afgesloten. De Raad van State oordeelde dat de door de gemeente gehanteerde verdeling tussen kantoor- en winkelfunctie (in de parkeerberekening) niet was te beschouwen als een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Te onrechte was een substantieel deel van de (eveneens) toegestane detailhandel buiten beschouwing gelaten bij de parkeerbehoefteberekening (ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2172). Eigen verantwoordelijkheid Elke initiatiefnemer van een bouwplan (woning, winkel, kantoor, bedrijf) is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van z’n eigen parkeeroplossing. Dit betekent ook dat alle kosten die verband houden met de oplossing van de parkeerbehoefte voor rekening van de ontwikkelende partij komen. Dit geldt ook voor de kosten van voorbereidende parkeeronderzoeken. De wijze van kostentoedeling is nader uitgewerkt in hoofdstuk 8 van deze nota. Parkeren op eigen terrein Een nieuw initiatief tot bouwen (verbouw, nieuwbouw, nieuwe functie etc.) mag geen parkeerproblemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent in principe dat de oplossing van de parkeerbehoefte op eigen terrein moet plaatsvinden. Om de kwaliteit van de openbare ruimte (zoals groenvoorzieningen, kindvriendelijke straten) en de leefbaarheid van de kernen te handhaven is het belangrijk dat er zo weinig mogelijk (langs)parkeerplaatsen in de openbare ruimte op straatniveau worden gerealiseerd. Het realiseren van minder parkeerplaatsen op eigen terrein dan de parkeernorm voorschrijft wordt met het oog op het afwentelen van parkeerproblemen op de openbare ruimte in beginsel niet toegestaan. Hiervoor geldt wel een vrijstellingsmogelijkheid. Deze komt in hoofdstuk 6 van deze Nota Parkeernormen aan de orde. Gebiedsontwikkeling In een aantal gevallen is er sprake van een totale gebiedsontwikkeling, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van nieuwbouwwijken of de herinrichting van dorpscentra. In dergelijke situaties kan het mogelijk zijn dat ook de openbare ruimte onderdeel is van de plannen. Het is mogelijk dat in dergelijke situaties een acceptabele parkeerbalans opgesteld wordt voor het totale gebied, inclusief de openbare ruimte. Mogelijk worden er dan minder parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd, maar wordt dit door de initiatiefnemer gecompenseerd in de openbare ruimte van het te (her)ontwikkelen gebied. Dit is alleen mogelijk als er sprake is van een nieuw bestemmingsplan (en stedenbouwkundig) plan voor het gebied of vervangende nieuwbouw voor een aantal woningen. De parkeernormen en berekeningssystematiek blijven uiteraard wel van kracht. Meervoudig gebruik van parkeerplaatsen De gemeente houdt rekening met meervoudig gebruik van parkeerplaatsen. Onder meervoudig gebruik wordt hier verstaan dat meerdere functies op verschillende momenten gebruik kunnen maken van dezelfde parkeerplaatsen. Wordt er bijvoorbeeld een scholencomplex gerealiseerd, dan kunnen de parkeerplaatsen die overdag nodig zijn voor de onderwijsvoorzieningen, ’s avonds weer prima gebruikt worden door bewoners. Meervoudig gebruik wordt berekend op basis van aanwezigheidspercentages (zie verder de tabel in hoofdstuk 5). Duidelijkheid door eenduidige norm Hoewel parkeerkencijfers een range (minimum – maximum) behelzen, wordt uitgegaan van een vaste norm. Dit schept duidelijkheid en voorkomt onnodige discussies en onderhandelingen. De ervaring wijst bovendien ook uit dat er veelal eerder sprake is van een tekort dan een overschot aan parkeerplaatsen. In bijlage 1 zijn de parkeernormen van de gemeente Neder-Betuwe opgenomen.

Rechtspraak bij dit artikel