Een subsidie bedraagt maximaal:
€ 100,- voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel a;
€ 500,- voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b;
€ 1.000,- voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel c;
€ 2.000,- voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel d.
De subsidie bedraagt maximaal het tekort op de begroting voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen b, c en d.
De subsidie bedraagt, voor zover nodig in afwijking van de twee voorgaande artikelleden, maximaal € 2.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, vierde lid.