Naar hoofdinhoud
1. Het dagelijks bestuur biedt de rekening over het afgelopen jaar, onder toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door een door het algemeen bestuur overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet ingestelde deskundige, en van hetgeen het dagelijks bestuur te zijner verantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende bescheiden jaarlijks vóór 1 juni ter vaststelling aan het algemeen bestuur aan. 2. Het algemeen bestuur stelt de rekening vast vóór 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 3. De rekening wordt binnen twee weken, doch in ieder geval vóór 15 juli, met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten aangeboden. Van de vaststelling doet het dagelijks bestuur ook direct mededeling aan de raad. 4. Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 5. In de rekening wordt het door elke van de deelnemende gemeenten over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 6. De kosten worden, rekening houdende met andere inkomsten en uitgaven, over de deelnemende gemeenten verdeeld naar rato van het aantal inwoners per 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar. 7. Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 27, eerste lid, bepaalde en het werkelijk verschuldigde, vindt plaats terstond nadat de rekening overeenkomstig het derde lid aan gedeputeerde staten is aangeboden. 8. De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen niet is afgeweken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel