Naar hoofdinhoud
1. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen door en uit het college van de deelnemende gemeente. Het college van de deelnemende gemeente wijst elk één lid en één plaatsvervangend lid aan. 2. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats binnen twee maanden na de gemeenteraadsverkiezingen of in de eerste collegevergadering na het tussentijds ontstaan van een vacature. 3. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt wanneer: a. het lid geen deel meer uitmaakt van het college waardoor hij is aangewezen; b. het lid aan het college te kennen geeft geen lid meer te willen zijn van het algemeen bestuur. 4. Van een aanwijzing tot lid van het algemeen bestuur en van het eindigen van het lidmaatschap in de gevallen genoemd in het derde lid geeft het college van de gemeente die het lid heeft aangewezen, binnen een week na de aanwijzing of beëindiging kennis aan de voorzitter van het openbaar lichaam. 5. Het tweede tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur.

Rechtspraak bij dit artikel