Voor het realiseren van bepaalde doelen zijn soms investeringen noodzakelijk. Algemeen kan gesteld worden dat van een investering sprake is als het gaat om een uitgave boven een bepaalde omvang waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt (het zogenaamde nuttigheidscriterium).
Als gevolg van het doen van investeringen ontstaan meerjarige bezittingen, ofwel vaste activa. De waarde van deze bezittingen wordt bepaald (waardering) en op de balans van de gemeente verantwoord (activering). De vaste activa (de geactiveerde investeringen) vormen daarmee een onderdeel van het eigen vermogen van de gemeente.
De beleidsregels voor waardering en afschrijving zijn vastgelegd in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Artikel 59 van de BBV geeft aan dat alle investeringen worden geactiveerd (behoudens kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde) en artikel 64 lid 3 van de BBV stelt dat "op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur". Uit dat artikel kan het volgende worden afgeleid:
op slijtende vaste activa moet worden afgeschreven;
de methode van afschrijving moet stelselmatig zijn (dus niet jaarlijks wijzigen);
de verwachte levensduur bepaalt de afschrijvingstermijn.
De leden 4 tot en met 6 van artikel 64 bevatten vervolgens uitzonderingsbepalingen op deze regel voor investeringen in enerzijds immateriële activa en bijdragen aan de activa in eigendom van derden anderzijds.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Inleiding
Onderdeel van Nota waardering en afschrijving van materiële vaste activa