Een van de componenten om investeringen te kunnen uitvoeren is het beschikbaar hebben van voldoende liquide middelen. Hiervoor gebruikt de gemeente beschikbare liquide middelen of trekt zij geldleningen aan. En geld lenen kost (in principe) geld. Wanneer liquide middelen voor een investering moeten worden ingezet, kunnen deze niet worden uitgeleend (bijv. deposito) tegen een vergoeding. Indien geen liquide middelen beschikbaar zijn dient een lening te worden afgesloten tegen het bij de bank geldende rentepercentage.
Via de zogenaamde rente-omslag wordt het saldo van rentelasten en -baten toegerekend aan de taakvelden. Het percentage van de rente-omslag wordt jaarlijks bij de programmabegroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald aan de hand van de te verwachten betalen rente in verhouding tot de verwachte boekwaarde van alle activa op 1 januari van het begrotingsjaar. Het omslagpercentage mag binnen een marge van 0,5% worden afgerond.
Voor de berekening van de rente als onderdeel van de kapitaallast heeft de gemeente de keuze uit de volgende opties:
De rente wordt berekend over: de boekwaarde per 1-1 van het begrotingsjaar,
de rente wordt berekend over de boekwaarde per de 1ste van elke maand
de rente wordt berekend over het gemiddelde van de boekwaarden over het gehele begrotingsjaar.
Omdat de omslagrente wordt berekend op basis van de rente en boekwaarden op 1 januari van het begrotingsjaar wordt voorgesteld de rente in de kapitaallast te berekenen over de boekwaarde op 1 januari van het begrotingsjaar. Deze methode sluit tevens aan bij het moment van aanvang van de afschrijving (zie uitgangspunt 10).
Uitgangspunt 15
Het moment van rentetoerekening over het actief wordt bepaald op 1-1 van het begrotingsjaar. Rente wordt toegerekend zodra een boekwaarde op 1-1 aanwezig is c.q. wordt verwacht.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.1
Rente als kapitaallast
Onderdeel van Nota waardering en afschrijving van materiële vaste activa