Eigenaren van woningen hebben geen recht op huurtoeslag. Bij een laag inkomen en hoge woonkosten kunnen zij in aanmerking komen voor woonkostentoeslag. Bij bepaling van de hoogte hiervan wordt aangesloten bij de regels voor de huurtoeslag van de Belastingdienst.
Fiscale aspecten
Hypotheekrente die drukt op het inkomen kan daarvan worden afgetrokken bij de belastingaangifte. Dit leidt tot een hoger netto inkomen. Er zijn twee mogelijkheden:
De betrokkene heeft een voorlopige teruggaaf aangevraagd vanwege de hypotheekrenteaftrek en ontvangt deze maandelijks van de Belastingdienst. Het betreft inkomen in de zin van artikel 32 lid 1 Pw zodat hiermee rekening moet worden gehouden bij de (maandelijkse) draagkrachtberekening voor de woonkostentoeslag.
De betrokkene wacht met het aftrekken van de hypotheekrente tot de belastingaangifte zodat hij achteraf een belastingteruggave ontvangt. Een teruggaaf van belasting moet worden toegerekend aan het jaar waarop deze betrekking heeft, niet het jaar waarin deze wordt ontvangen (artikel 32 lid 1 onderdeel b Pw). Voor zover de teruggaaf betrekking heeft op een periode waarover bijstand is verstrekt, zal er teruggevorderd moeten worden. Het inkomen is achteraf immers hoger. Voor het deel van de teruggaaf dat verband houdt met bijzondere kosten waarvoor geen bijstand is verstrekt, blijft terugvordering achterwege (artikel 31 lid 2 onderdeel f Pw). Het is niet toegestaan om bij de vaststelling van de woonkostentoeslag al bij voorbaat rekening te houden met een mogelijke belastingteruggave.
Berekening
De berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag voor eigenaren komt grotendeels overeen met die voor huurders. Bij deze berekening wordt (eveneens) uitgegaan van de “standaardmethode” die is verwerkt in het ‘berekeningsformulier woonkostentoeslag voor eigenaren’ dat is opgenomen in het handboek van Schulinck.
De bij de berekening in aanmerking te nemen woonkosten bestaan uit drie componenten: de rente die verband houdt met de woning, de zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom en een bedrag voor groot onderhoud.
Bij het bepalen van het bedrag aan rente dient met de volgende aspecten rekening te worden gehouden:
Het gaat hier meestal om hypotheekrente. Hierbij geldt dat (eventueel) jaarlijks te ontvangen rijkssubsidie die betrekking heeft op de verschuldigde hypotheekrente, in mindering moet worden gebracht.
Hypotheekrente voor leningen anders dan voor de woning, bijvoorbeeld voor een auto of caravan, mogen niet worden meegeteld.
De aflossing van de hypotheek telt niet mee, dit geldt dus ook voor de premies van zogenaamde spaarhypotheken.
Bij de berekening dient voor vaststelling van het bedrag aan zakelijke lasten en het bedrag voor groot onderhoud uit te worden gegaan van één (gecombineerd) maandelijks bedrag dat is afgeleid van het actuele bedrag dat in de NIBUD Prijzengids is opgenomen in het hoofdstuk ‘Extra kosten koopwoning’ (Dit bedrag is eveneens terug te vinden op de bij deze nota gevoegde Bedragenlijst.)
Draagkracht
In afwijking van de algemene draagkrachtregeling neergelegd in hoofdstuk 2 van deze nota, wordt bij het verlenen van bijzondere bijstand voor een woonkostentoeslag het in aanmerking te nemen inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm voor 100% als draagkracht aangemerkt.
Verhuisplicht
Indien de in aanmerking te nemen woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens neergelegd in artikel 13 WHT, dan wordt de woonkostentoeslag toegekend voor een periode van maximaal één jaar. Daarbij wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar huisvesting waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag (of waarvan de in aanmerking te nemen woonkosten onder de huurgrens liggen). De periode waarover de woonkostentoeslag is toegekend kan na afloop met maximaal een half jaar worden verlengd indien het feit dat de belanghebbende nog niet over goedkopere woonruimte beschikt hem niet te verwijten valt.
De verhuisplicht wordt expliciet opgenomen in de toekenningsbeschikking van de woonkostentoeslag.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.18