Naar hoofdinhoud
Wanneer het verblijf in een inrichting een tijdelijk karakter heeft, gaat de bijstandsverlening niet over van de vertrekgemeente naar de gemeente waar de inrichting is gevestigd. Of er sprake is van een tijdelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Gaat iemand naar een verzorgingshuis en wordt de zelfstandige woning verkocht, dan is de situatie duidelijk. Gaat iemand (tijdelijk) naar een inrichting en blijft de zelfstandige huisvesting gehandhaafd, dan blijft een band met de vertrekgemeente aanwezig totdat redelijk aannemelijk is dat de belanghebbende daar niet meer naar terugkeert. In het geval belanghebbende niet meer terugkeert dient de bijstandsverlening te worden overgenomen door de gemeente waar de inrichting is gevestigd. Dit geldt zowel voor algemene als bijzondere bijstand. In de praktijk wordt regelmatig contact gehouden met de (vertegenwoordiger van de) belanghebbende alsmede met de verzorgende instelling teneinde de situatie te kunnen beoordelen. Tijdelijke opname in een inrichting Bij verblijf in een inrichting gelden er lagere bijstandsnormen voor levensonderhoud (artikel 23 Pw). Vanwege het praktische gegeven dat opname in een inrichting van korte duur kan zijn en er met name in het geval van opname in een psychiatrische inrichting sprake kan zijn van herhaalde korte opnames kort na elkaar, is het niet wenselijk de hoogte van de uitkering meteen naar de lagere norm om te zetten. Dit mede gezien het feit dat in voorkomende gevallen ook steeds bijzondere bijstandsverlening aan de orde zou kunnen zijn vanwege doorlopende vaste lasten. Daarom wordt bij een tijdelijke opname in een inrichting een periode van drie maanden aangehouden voordat tot wijziging van de bijstandsuitkering naar de norm voor verblijf in een inrichting wordt overgegaan en er eventueel bijzondere bijstand voor de vaste lasten kan worden verstrekt. Tijdstip van aanpassing uitkering bij tijdelijke opname De uitkering wordt aangepast met ingang van de eerste dag van de vierde hele kalendermaand waarin belanghebbende en/of de partner in de inrichting verblijft. Recht op bijzondere bijstand Wanneer het noodzakelijk is dat een cliënt de eigen woning aanhoudt, kan wanneer de bijstandsnorm verlaagd is naar de inrichtingsnorm, bijzondere bijstand worden verstrekt voor een periode van maximaal 1 jaar voor de vaste lasten van de eigen- of huurwoning. Dit geldt ook voor gehuwden waarvan beide partners in een inrichting verblijven. Eventueel bestaat er langer recht op bijzondere bijstand, bijvoorbeeld wanneer men in de weekenden thuis komt. Wanneer de huurwoning wordt opgezegd kan eventueel bijzondere bijstand worden verleend voor de kosten van opslag van de inboedel en de periode van huuropzegging. Hoogte bijzondere bijstand Bijzondere bijstand kan worden verleend voor de volgende woonkosten: kosten woninghuur of rentedeel van de hypotheeklasten kosten die noodzakelijk zijn om aangesloten te blijven op energievoorzieningen kosten van een inboedelverzekering. De overige woonlasten worden voor de berekening van de bijzondere bijstand niet meegenomen. Voor aflossingsgedeelte van een hypotheek bij een eigen woning kan evenmin bijzondere bijstand worden verleend; dit zou tot vermogensvermeerdering leiden. De eigenaar zal met de hypotheekverstrekker een regeling moeten treffen. Vorm bijzondere bijstand De bijstand wordt om niet verstrekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel