Voor het exploiteren van een horecabedrijf is een exploitatievergunning2 op grond van artikel 2:28 van de APV nodig. Met de vergunning krijgt de exploitant het recht om zijn horecabedrijf voor publiek te openen.
Er kunnen echter een aantal soorten horecabedrijven vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht. Dit zijn horecabedrijven met een zeer beperkt tot laag risico voor de openbare orde & veiligheid en het woon- en leefklimaat nagenoeg niet negatief beïnvloeden. De vrijstelling bestaat, nadat de burgemeester deze soorten horecabedrijven expliciet heeft aangewezen3 op grond van artikel 2:28b, eerste lid van de APV. Wel bezitten deze horecabedrijven een meldingsplicht, zodat de gemeente weet heeft van het bestaan van het horecabedrijf en toezicht kan houden op de exploitatie daarvan. Daarom moeten vergunningsvrije horecabedrijven uiterlijk 14 dagen voor aanvang van de exploitatie melden dat zij het horecabedrijf voor publiek openen.
Men verkrijgt een exploitatievergunning door het indienen van een ondertekende en volledige aanvraag bij de burgemeester. Bij een aanvraag moet in elk geval de informatie en documenten worden gevoegd die vermeld staan op bijlage 2. Bij het ontbreken daarvan kan een aanvraag inhoudelijk niet beoordeeld worden en wordt deze buiten behandeling gesteld. Komt een exploitant en diens horecaconcept door de beoordeling, dan ontvangt hij de exploitatievergunning met de daarbij behorende voorschriften. Daarin worden in elk geval de standaardvoorschriften opgenomen die vermeld staan op bijlage 3.
Voor alle horeca geldt dat zij zijn gehouden aan het gebiedsgerichte beleid van hoofdstuk 2. Naast de in paragraaf 2.1.5 beschreven afwijkingsmogelijkheden, kan voor zogeheten pop up-horeca (paragraaf 3.1.3) worden afgeweken van het gebiedsgerichte beleid.
Artikel 3.1