Dit hoofdstuk is een uitwerking van Bouwbesluit art. 8.2, sub c:
Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:
a. en b. letsel van personen
beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen.
in samenhang met Bouwbesluit art. 8.1, lid 1:
De uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden is zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Voor de wetstechnische uitgangspunten zie hoofdstuk 4.2.
Ten aanzien van beschadiging (8.2, sub c) is de uitgangspunt van de wetgever dat dit beschadiging betreft die leidt tot een onveilige situatie (8.1, lid 1). De publiekrechtelijke taak van het bevoegd gezag beperkt zich dan ook tot schade die een onveilige situatie oplevert. Dit betekent dat schade die geen onveilige situatie oplevert via privaatrechtelijke weg moet worden opgelost.
In de terminologie van het nieuwe Bbl is dit onderscheid tussen privaat- en publiekrechtelijke verantwoordelijkheid nog duidelijker uitgewerkt.
Bbl, art. 7.2, sub a:
het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid
Bbl, art. 7.4 (zorgplicht):
gevaar voor de gezondheid of veiligheid
Het criterium "voor de bruikbaarheid nadelige hinder" (Bouwbesluit 2012, artikel 8.2, sub c) vinden wij in het Bbl ook niet terug. Dit aspect gaat dus van publiekrechtelijk naar privaatrechtelijk.
BZK geeft aan dat het Bbl niet gaat over schade in privaatrechtelijk zin, optreden op grond van het Bbl kan alleen als er gevaar voor de gezondheid of veiligheid is of dreigt te gaan ontstaan. Het is niet zo dat handhavend optreden moet wachten tot het moment dat dit gevaar er daadwerkelijk is. Om dit te verduidelijken zal er een voorbeeld aan de toelichting worden toegevoegd. BZK stelt dat als er alleen sprake is van cosmetische schade waarbij geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid bestaat of kan gaan ontstaan, handhavend optreden op grond van het Bbl niet mogelijk is.
In dit hoofdstuk (7.1) wordt alleen verder ingegaan op het aspect gevaar. Het aspect gezondheid komt in hoofdstuk 7.2 en verder aan de orde.
Bij schade aan belendingen kan in zijn algemeenheid onderscheid gemaakt worden tussen:
Lichte of cosmetische schade
Dit betreft schade die geen gevaar voor bezwijken of instorting en dus geen onveilige situatie in de zin van Bouwbesluit artikel 8.1 veroorzaakt. Het betreft bijvoorbeeld lichte scheurvorming of beschadiging van onderdelen van het bouwwerk. Dit soort schade is op relatief eenvoudige wijze te herstellen.
Schade, waarbij wel ernstige scheurvorming, zettingen of scheefstand optreden, maar waarbij geen sprake is van bezwijken of instorten
Bij deze categorie van schade is geen sprake van een onveilige situatie, zoals bedoeld in Bouwbesluit, artikel 8.1. Deze schade is echter wel van dien aard, dat de schadeontvanger is geconfronteerd met niet of slechts tegen zeer hoge kosten te herstellen schade.
Schade waarbij zeer ernstige vervormingen (scheefstand of zettingen) optreden
Deze vervormingen zijn van dien aard, dat bezwijken van onderdelen van het bouwwerk of gehele instorting dreigt. Dit soort schade leidt direct tot een onveilige situatie, zoals bedoeld in Bouwbesluit artikel 8.1 Bouwbesluit artikel 8.2 heeft betrekking op alle drie de vormen van schade, zoals omschreven onder A. en B. en C. Bouwbesluit artikel 8.1 heeft alleen betrekking op schade, zoals genoemd onder C.
Alleen schadecategorie C. valt direct onder de publiekrechtelijke bescherming, zoals door het Bouwbesluit wordt geboden (voorkomen van een onveilige situatie en het voorkomen van schade). Deze schade moet dan ook door middel van te treffen maatregelen worden voorkomen. De grens tussen schadecategorie A/B en C. dient in het bouwveiligheidsplan duidelijk te zijn omschreven.
Schadecategorieën A. en B. moeten op privaatrechtelijke wijze worden afgehandeld tussen schadeveroorzaker en schadeontvanger. Deze wijze van schadeafhandeling dient, in overleg met het bevoegd gezag en met de schadeontvanger, vastgelegd te worden in het bouwveiligheidsplan. Daarbij dient de grens tussen schadecategorie A/B en C. duidelijk te zijn omschreven. Met name de grens tussen categorie B en C moet in het bouwveiligheidsplan duidelijk omschreven worden, bijvoorbeeld met het vastleggen van maximale relatieve rotaties. Dit bepaalt in belangrijke mate de scheiding tussen privaatrechtlijke en publiekrechtelijke verantwoordelijkheid.
Het bereiken van een gevaarlijke situatie (categorie C) wordt in de meeste gevallen ingeleid door schade in de categorie A. en B. Daarom is het opstellen van een monitoringsplan altijd noodzakelijk. Hiermee kan tijdig worden onderkend dat de hoogste schadecategorie gaat ontstaan.
In het kader van een privaatrechtelijke aansprakelijkstelling wordt in ieder geval ook geadviseerd een bouwkundige vooropname te maken voor de start van de werkzaamheden.
Bij sloop- of bouwwerkzaamheden worden de volgende schadeoorzaken en schadegevolgen omschreven:
Schadeoorzaken:
Bij sloopwerkzaamheden:
beschadiging door sloopmaterieel;
omvallende bouwdelen van het te slopen object;
trillingen als gevolg van het slopen met een zgn. "specht";
sloopwerk met behulp van explosieven;
slopen van ondergrondse bouwdelen;
instabiliteit bij gedeeltelijke sloop.
Bij bouwwerkzaamheden:
omvallende bouwkraan of een andere bouwmachine;
omvallende of uit een kraan vallende bouwelementen;
trillingen bij het inbrengen van funderingspalen;
trillingen bij het inbrengen van damwanden;
trillingen bij het verwijderen van (tijdelijke) damwanden;
verlagen van de grondwaterstand;
ontgraving in een open bouwput;
vervorming of lekkage van bouwputwanden;
opbarsten of lekkage van de bouwputbodem.
Schadegevolgen:
scheefstand van een belending waardoor instabiliteit van het bouwwerk dreigt;
scheefstand van onderdelen van het bouwwerk, waardoor de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan en vloeren en/of balken van hun opleggingen dreigen te glijden;
trillingen waardoor de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan;
verschilzettingen (relatieve rotaties) van een zodanige omvang dat de samenhang van de bouwconstructie verloren dreigt te gaan, waarmee dit kan worden aangemerkt als bezwijken;
beschadiging of wegvallen van onderdelen van de bouwconstructie door bouwmaterieel (bijv. een omvallende bouwkraan).
De maatregelen om bovengenoemde schade te voorkomen dienen te worden omschreven in het bouwveiligheidsplan, zoals genoemd in Bouwbesluit, artikel 8.7.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.1