Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 14

– Verbod op lozen van hemelwater op de riolering

Onderdeel van Waterafvoerverordening gemeente Gennep

Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein; De Rechthebbende van een perceel is verplicht om, in aanvulling op de eventueel van toepassing zijnde eisen vastgelegd in de Keur van het Waterschap Limburg, hemelwater op zijn eigen terrein te verwerken. De Rechthebbende is vrij om te kiezen welke voorzieningen hij daarvoor gebruikt, zolang deze voorziening: een bui met een herhalingstijd van 1x per 100 jaar (100 mm in 24 uur) kan verwerken; toegankelijk is voor inspectie en noodzakelijk onderhoud; geen uitlogende materialen bevat; in geval van infiltratievoorzieningen is uitgerust met bladvangers en zandfilters; Wanneer de in lid 2, sub a gestelde eis aantoonbaar niet haalbaar is, dient minimaal een bui met een herhalingstijd van 1x per 10 jaar (50 mm in 24 uur) geborgen te worden. Hierbij dient wel in beeld gebracht te worden wat de gevolgen voor de omgeving zijn bij een bui met een herhalingstijd van 1x per 100 jaar. Bij een bui met een herhalingstijd van 1x per 100 jaar mag zowel in het plangebied als in de omgeving geen wateroverlast ontstaan; Het verbod uit het eerste lid geldt niet wanneer er, als gevolg van extreme neerslag, meer hemelwater verwerkt moet worden dan de hoeveelheid die volgt uit toepassing van lid 2, sub a, en lid 3. De Rechthebbende is verplicht de overstortvoorziening, waarmee de in lid 4 bedoelde grotere hoeveelheid hemelwater op het (gemengde) riool wordt geloosd, zodanig in te richten dat het water bovengronds wordt afgevoerd en de Gemeente de werking en het onderhoud kan controleren. Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is dan mag een dynamische bergings-/infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Bij elke activiteit geldt dat de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging niet af mag nemen. De voorzieningen als bedoeld in het tweede lid: dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn; moeten door de Eigenaar blijvend in stand gehouden worden; moeten door de Eigenaar zodanig onderhouden worden dat deze aan de eisen zoals gesteld in deze verordening blijven voldoen; Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in het eerste en tweede lid gestelde als van de Eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel dat met het verbod wordt gediend. De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het negende lid wordt tegelijk met de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, ingediend.

Rechtspraak bij dit artikel