Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.11

Geldigheid, Intrekken en inleveren gehandicaptenparkeerkaart

Onderdeel van Beleidsregels Gehandicaptenparkeerkaarten en gehandicaptenparkeerplaatsen 2020 gemeente Borger-Odoorn

1.. De geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart is op grond van het bepaalde in artikel 51, eerste lid BABW in beginsel vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de dag van afgifte. Indien nodig, kan de geldigheidsduur van de kaart worden beperkt, met een minimale geldigheidsduur van zes maanden. In artikel 53 van het BABW is geformuleerd wanneer de gehandicaptenparkeerkaart zijn geldigheid verliest. Dit betreft: het verstrijken van de geldigheidsduur; het verstrijken van de geldigheidsduur van het rijbewijs of bromfietscertificaat in het geval van een bestuurderskaart; de afgifte van een nieuwe gehandicaptenparkeerkaart, waarbij de oude moet worden ingeleverd; wanneer een einde komt aan de beperking; het onbevoegd aanbrengen van wijzigingen; het overlijden van de houder; ongeldigverklaring (lid 2 en 3). 2.. Als een kaart korter is uitgegeven dan 12 maanden, en het toch noodzakelijk is om een kaart voor een langere periode uit te geven, zijn geen leges verschuldigd voor de tweede kaart. 3.. De gemeente die de gehandicaptenparkeerkaart heeft afgegeven heeft de mogelijkheid om de kaart ongeldig te verklaren als hij is afgegeven op grond van door de houder van de GPK verschafte onjuiste gegevens en niet zou zijn afgegeven als de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest. 4.. Daarnaast is het mogelijk om de gehandicaptenparkeerkaart ongeldig te laten verklaren Als het gebruik van de gehandicaptenparkeerkaart geen verband houdt met het vervoer van de houder/passagier/instelling waaraan de vergunning is verstrekt (misbruik). 5.. Een GPK die zijn geldigheid heeft verloren moet zo spoedig mogelijk worden ingeleverd door de kaarthouder bij de gemeente die de kaart heeft verstrekt (artikel 54 BABW). Overtreding hiervan is een strafbaar feit (artikel 59 BABW). 6.. Als de kaarthouder is overleden, geldt deze verplichting voor degene die de GPK onder zich heeft (artikel 54 BABW). 7.. Door middel van een schriftelijk verzoek van de gemeente zullen de nabestaanden worden gevraagd om de kaart in te leveren bij de gemeente, om misbruik te voorkomen. 8.. Ongeldigverklaring bij misbruik (artikel 53 lid 3 BABW). Op misbruik van een gehandicaptenparkeerkaart staat (indien van toepassing) ongeldigverklaring van de kaart en een boete afhankelijk van de geschatte periode van misbruik met een minimum van € 400,00. De ongeldigverklaring is een bevoegdheid van het college en geen verplichting. De houder van de gehandicaptenparkeerkaart heeft zelf de verantwoordelijkheid dat een ander geen gebruik van de kaart maakt. De gevolgen van de ongeldigverklaring van de gehandicaptenparkeerkaart kunnen voor de houder van de gehandicaptenparkeerkaart daarentegen zeer ingrijpend zijn. Omdat de ongeldigverklaring van de gehandicaptenparkeerkaart een zware wissel op de houder trekt, wordt een periode van acht weken als intrekkingsperiode ingesteld. Bij herhaald misbruik kan deze periode worden verlengd, of in het uiterste geval de kaart ongeldig worden verklaard voor de resterende geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel