Naar hoofdinhoud
1.. In afwijking van het bepaalde in artikel 4 wordt op verzoek van de belastingplichtigen de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende 30 jaren. 2.. Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 3.. De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal verschuldigde, berekend op basis van een periode van 30 jaren en een rentevoet van 1,45%. 4.. De belasting over de nog niet aangevangen belastingjaren kan elk jaar bij aanvang van het belastingjaar worden afgekocht. De afkoopsom wordt bepaald op de contante waarde van de op 1 januari van het belastingjaar, waarin de afkoop plaatsvindt, nog te verschijnen belastingbedragen. 5.. Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak als bedoeld in het eerste lid eindigt of wijzigt als gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de nieuwe genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met ingang van het eerstvolgende belastingjaar een aanslag ineens opgelegd voor de resterende belastingjaren van het belastingtijdvak, overeenkomstig het voor het betreffende jaar opgenomen bedrag in de bij deze verordening opgenomen tarieventabel. In afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op verzoek van de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse heffing overeenkomstig het eerste lid gecontinueerd overeenkomstig het bepaalde in lid 3 en lid 4.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel