In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
houder: eigenaar of houder van een dood gezelschapsdier;
gezelschapsdier: alle dieren die de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, met als doel het gezelschap houden van de mens. Tot deze categorie behoren onder meer: honden, katten, knaagdieren, kooi- en volièredieren, duiven en vissen. Konijnen, kippen, kalkoenen, kwartels, parelhoenders, eenden, ganzen en fazanten behoren eveneens tot deze categorie, indien er geen commerciële opbrengst aan verbonden is zoals de productie van vlees, wol, pels, eieren, pluimen of huiden. Onder de categorie gezelschapsdier worden niet bedoeld landbouwdieren (voor hobby of commercie) zoals runderen, paarden, schapen, (dwerg-) geiten, varkens, hangbuikzwijnen en herten.