Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 247 en 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek), de zogenoemde zorgplicht. Dit houdt in dat zij zorgen en verantwoordelijkheid dragen voor het mentale en lichamelijke welzijn van de jeugdige(n), de veiligheid alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van de persoonlijkheid. De zorgplicht strekt zich in ieder geval uit over opvang, vervoer, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van de jeugdige, normaal gesproken geeft aan zijn kind. Hieronder wordt ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte (maximaal drie maanden) met uitzicht op herstel verstaan. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een beschermende woonomgeving. De zorgplicht van ouders draagt er onder normale omstandigheden aan bij dat jeugdigen: gezond en veilig kunnen opgroeien, groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam zijn (worden) en maatschappelijk kunnen participeren.
Algemeen aanvaarde opvattingen
Het gaat bij de zorgplicht dan ook om hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Dat betekent ook dat de andere ouder de hulp overneemt, als bijvoorbeeld één van de ouders uitvalt.
Wanneer ouders gescheiden zijn, doet het college onderzoek naar de vraag of de ouder, waar de jeugdige niet woonachtig is, de hulp redelijkerwijs kan bieden. De ex-echtgenoot kan immers ook tot de huiselijke kring worden gerekend. Is er sprake van co-ouderschap, dan spreekt het voor zich dat voor beide ouders wordt beoordeeld of dat het geval is, en zo ja in welke mate. Immers, bij co-ouderschap verdelen ouders feitelijk de zorg voor de jeugdige; zij vallen beiden onder de huiselijke kring.
Reikwijdte zorgplicht
De reikwijdte van de zorgplicht van de ouders is onder meer afhankelijk van de leeftijd en de normale ontwikkeling van de jeugdige. Dit nog los van de vraag of hiervoor jeugdhulp kan (of moet) worden verstrekt als ouder(s) daartoe (tijdelijk) niet in staat zijn. Jeugdigen op jonge leeftijd hebben in het algemeen meer hulp nodig van hun ouder(s) dan jeugdigen op een oudere leeftijd. Het ontwikkelingsproces van jeugdigen vraagt dan ook steeds om aanpassing in het opvoedingsgedrag van ouders. Bij elke ontwikkelingsfase horen andere opvoedingsopgaven. In elke ontwikkelingsfase moeten de ouders de opvoeding afstemmen op wat de jeugdige kan of nog moet leren. In tabel 1 zijn de ‘normale’ ontwikkelingsopgaven en opvoedingsopgaven per fase weergegeven (Oudhof et al., 20131Oudhof, M., De Wolff, M.S., De Ruiter, M., L’Hoir, M.P. en Prinsen, B. (2013). Opvoedingsondersteuning voor hulp bij opvoedingsvragen en lichte opvoedproblemen. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.).
Tabel 1: ‘Normale’ ontwikkelingsopgaven en opvoedingsopgaven van jeugdigen (Oudhof et al., 2013)
Op basis van tabel 1 kan worden gekeken welke ontwikkelingsopgaven bij de ontwikkelingsfase hoort, waarin de jeugdige zich bevindt en welke opvoedingsopgaven de ouders hebben. Wanneer dit verder vertaald wordt naar opvoedingsproblemen, kan er gekeken worden of de problemen van de jeugdige passen bij de leeftijd. Tabel 2 geeft een overzicht van veelvoorkomende ‘normale’ opvoedproblemen per ontwikkelingsfase, dat sterke gelijkenissen vertoont met het overzicht van ontwikkelingsopgaven van de jeugdige en de opvoedopgaven van ouders in tabel 1. Ook staan er in de tabel voorbeelden van ernstigere problemen, waarbij ondersteuning gewenst kan zijn (Van Yperen, 20102Yperen, T. A. van (2010). 55 vragen over effectiviteit. Antwoorden voor de jeugdzorg. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.).
Tabel 2: Overzicht van leeftijdsfasen, veelvoorkomende ‘normale’ problemen en ernstigere problemen (Van Yperen, 2010)
Afwegingskader voor het al dan niet inzetten van jeugdhulp
Bij het maken van een afweging voor het inzetten van jeugdhulp wordt in iedere individuele situatie opnieuw door de consulent beoordeeld of jeugdhulp noodzakelijk is (maatwerk). Daarbij wordt niet alleen gekeken naar wat een normaal ontwikkelingsproces van een jeugdige is, maar ook naar de aard van de zorghandeling, de frequentie en de tijdsinvestering, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders. Om afwegingen te specifiëren worden de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 als richtlijn aangehouden.
Als uit deze afweging naar voren komt dat de geleverde zorg onder normale gangbare hulp of zorg valt, die iedereen nodig heeft (zoals eten, drinken, wassen en aankleden), valt dit onder de verantwoordelijkheden van de ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
Wanneer dit niet het geval is en een algemene voorziening of personen uit het sociaal netwerk (zie §3.3) geen oplossing kunnen bieden, kan een individuele voorziening ingezet worden.
Hoofdstuk 1.
Artikel 3.2