Wanneer blijkt dat jeugdigen en/of hun ouders niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kunnen komen, wordt beoordeeld of er zogenaamde algemene voorliggende voorzieningen zijn die de hulpvraag van jeugdigen en ouders (gedeeltelijk) kunnen oplossen.
Hoofdstuk 1.
Artikel 4.1