Naar hoofdinhoud
Uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) een individuele voorziening in ‘natura’ toegewezen krijgt. Indien gewenst door de jeugdige en/of zijn ouder(s) bestaat echter wel de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget (pgb). Een pgb vertegenwoordigt de geldswaarde van een individuele voorziening die het college in natura zou verstrekken aan de jeugdige of zijn ouder(s). Dat betekent dat met het toegekende pgb tenminste de goedkoopst passende geïndiceerde individuele voorziening ingekocht moet kunnen worden. Dat betekent ook dat de indicatie (mede) bepalend is voor de hoogte van het pgb. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet zijn voldaan aan een aantal wettelijke voorwaarden en de bepalingen daarover in de verordening en nadere regels pgb. De huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts kunnen alleen een verwijzing naar gecontracteerde jeugdhulp in natura doen. Uit de wet volgt dat het pgb bestemd is voor besteding door in Nederland verblijvende jeugdigen en/of ouder(s). De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten om een pgb verzoeken. Dat wil zeggen dat het college zowel beslist over het verzoek om jeugdhulp als ook over de leveringsvorm pgb. Als de jeugdige of zijn ouder(s) voor een pgb in aanmerking wensen te komen, dan beoordeelt het college eerst welke bepalingen in de verordening en nadere regels pgb van toepassing zijn op de situatie en daarna ook de wettelijke voorwaarden. In zijn algemeenheid geldt bij jeugdigen onder de 16 jaar, dat zijn ouders of diens wettelijk vertegenwoordiger, de aanvrager en budgethouder van een pgb zijn. Bij jeugdigen tussen de 16 en 18 jaar (met uitloop tot maximaal 27 jaar) kan het voorkomen dat de jeugdige zelf het contract aangaat.

Rechtspraak bij dit artikel