Naar hoofdinhoud
3.1 Inleiding De maatschappelijke opvang en vrouwenopvang hebben als taak het bieden van tijdelijk en veilig verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. De kerntaak van de opvang richt zich op het bieden van een vangnet en een stuk nazorg. Vaak gaat het om kwetsbare cliënten met combinaties van verschillende problematiek. Voor ambulante begeleiding, geboden door maatschappelijke opvanginstellingen en vrouwenopvang (Fier Fryslan, Limor, Leger des Heils en Zienn) geldt dat de toegang verloopt via de wijkteams in de directe omgeving waar iemand woont. Zij geven een indicatieadvies waarna de MO zaak een beschikking afgeeft. Ook een aanbieder waar een cliënt bekend is, kan in afstemming met het wijkteam een advies geven aan de MO zaak. 3.2 Centrumgemeente versus regio De centrumgemeente Leeuwarden krijgt vanuit de Wmo een belangrijke rol bij opvang, waaronder maatschappelijke- en vrouwenopvang. De uitvoeringstaken rondom opvang zijn onder gebracht bij Sociaal Domein Fryslân. De centrumgemeente Leeuwarden maakt namens de Gemeente Ameland afspraken met de aanbieders van opvang over het vangnet wat ze bieden voor de regio Friesland. Leeuwarden werkt nauw samen met de lokale gemeenten met als gezamenlijk doel het verminderen van het aantal daklozen, het zo kort mogelijk verblijven in het vangnet, het zo snel mogelijk weer doorstromen naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan en het verminderen van overlast en geweld in afhankelijkheidsrelaties. Dit is beschreven in het document ‘Uitgangspunten voor de financiering van: Opvang, Beschermd wonen en Veilig Thuis 2016’. 3.3 Toegang De opvangvoorzieningen in de regio zijn van belang voor cliënten die in een (dreigende) situatie van dak- of thuisloosheid verkeren. Cliënten kunnen zich rechtstreeks tot aanbieders wenden om een beroep te doen op de voorzieningen. Een toets op toegang vindt door aanbieders plaats. Voor alle voorzieningen geldt dat ze worden gesubsidieerd door de centrumgemeente Leeuwarden zodat beschikbaarheid en continuïteit gegarandeerd zijn. Binnen de opvang kan onderscheid worden gemaakt naar algemene en maatwerkvoorzieningen. De algemene voorzieningen in de gemeente zijn in principe toegankelijk voor iedereen met (dreigende) dak- of thuisloosheid, een lichte toegangstoets wordt door de zorgaanbieders uitgevoerd. De toets bestaat uit het nagaan of de cliënt tot de doelgroep, namelijk (dreigend) dak- of thuisloos, behoort. De algemene voorzieningen zijn voorliggend op maatwerkvoorzieningen. Een maatwerkvoorziening is in de wet een individuele voorziening waarop een toets op rechtmatigheid plaatsvindt. In 2016 vindt deze toegangstoets plaats door middel van de intake die door de aanbieders wordt gedaan. Een beschikking wordt afgegeven door de afdeling Sociale Zaken van de gemeente waar een cliënt feitelijk verblijft in een voorziening wanneer de cliënt een participatiewet-uitkering heeft of door de instelling zelf, namens de gemeente, bij een andere vorm van inkomen. Voor maatwerk­voorzieningen geldt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Landelijk is bepaald dat de voorzieningen van de opvang toegankelijk moet zijn voor iedereen die in Nederland woont. Waarbij de centrumgemeente van aanmelding indien nodig de eerste opvang verzorgt en vervolgens bepaalt, in overleg met de cliënt, in welke plaats een individueel traject het meest kansrijk is. Deze centrumgemeente gaat de opvang verzorgen. De opvanginstellingen in de regio Friesland werken conform de criteria zoals benoemd in de beleidsregels van de handreiking Landelijke toegankelijkheid in de maatschappelijke opvang. In de drie noordelijke provincies is afgesproken dak- of thuislozen onderling niet door te verwijzen. 3.4 Afwegingskader In de kern is de Maatschappelijke opvang bedoeld voor mensen die nergens anders terecht kunnen (en die gebaat zijn bij tijdelijke ondersteuning voor het zoeken naar een duurzame oplossing op alle leefgebieden (ZRM-domeinen)). Het is de taak van alle gemeenten om mogelijke uitval/terugval vroegtijdig te signaleren (preventie). Om vast te stellen of en waar een cliënt maatschappelijke opvang kan krijgen, worden de volgende toelatingscriteria, conform de handreiking Landelijke toegankelijkheid, gehanteerd: De cliënt heeft de Nederlandse nationaliteit, of houdt als vreemdeling rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000; De regio Friesland, Groningen, Assen of Emmen is de regio waarbinnen de opvang van de cliënt het meest kansrijk is. Om te bepalen bij welke regio de kans op een succesvol traject voor de cliënt het grootst is, wordt gekeken naar de volgende feiten en omstandigheden: de cliënt heeft gedurende drie jaar voorafgaand aan het moment van aanmelding minimaal twee jaar aantoonbaar zijn of haar hoofdverblijf in de regio gehad. Dit moet blijken uit inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie of het bekend en geregistreerd zijn bij zorginstellingen; de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden); bekendheid bij de zorginstellingen of MO-instellingen; bekendheid bij de politie; geboorteplaats; redenen om de cliënt uit zijn oude sociale netwerk te halen; de voorkeur van de cliënt: gegronde redenen om tegemoet te komen aan de wens van de cliënt om in een bepaalde gemeente/regio te worden opgevangen. De cliënt is niet in staat, zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van de algemene voorzieningen zich te handhaven in de samenleving. Indien de instelling inschat dat de wachttijd tot onwenselijke situaties leidt, heeft de instelling de inspannings- verplichting om een andere passende opvang te zoeken en te zorgen voor een warme overdracht. De cliënt heeft geen ondersteuning bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het verrichten van basale huishoudelijke taken; De cliënt heeft geen fysieke of zintuigelijke beperking waardoor de opvangvoorziening niet of onvoldoende toegankelijk is; Er bestaat bij aanmelding geen duidelijke indicatie voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleid kan worden en / of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening; De cliënt is niet ernstig verstandelijk beperkt waardoor hij binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden; De cliënt gaat akkoord met de huisregels en de verblijfsvoorwaarden van de opvanginstelling waaronder het meewerken aan een zekerheidsstelling voor de betaling van de eigen bijdrage. 3.5 Uitzonderingen Toegang tot een opvangvoorziening kan worden geweigerd wanneer een cliënt zich (na toegang tot de voorziening) niet houdt aan de huisregels van een voorziening. De stichting Fier Fryslân heeft zich vanuit de traditionele anonieme opvang ontwikkeld tot aanbieder van preventie, begeleiding, anonieme opvang en behandeling bij geweld in afhankelijkheidsrelaties. Daarbij heeft de stichting zich ontwikkeld van een hoofdzakelijk door de gemeente gefinancierde opvanginstelling tot een innovatieve zorgaanbieder met meerdere financieringsstromen, waarvan de gemeentelijke financiering relatief kleiner is geworden. De regio hecht veel waarde aan de groei van Fier Fryslân als innovatief zorgbedrijf met een sterk landelijk imago, dat geworteld is en blijft in onze regio. Vanwege het landelijke karakter van Fier Fryslân geldt eerder genoemde voorwaarde voor regiobinding niet. 3.6 Verstrekking van voorziening Opvang betreft een voorziening (deels algemeen en deels maatwerk) voor dak- en thuisloze cliënten in nood. De voorziening is voor iedereen in natura toegankelijk die voldoet aan de genoemde criteria. Een persoonsgebonden budget is niet mogelijk gezien het algemene karakter van de voorziening. 3.7 Eigen bijdrage Cliënten betalen voor het gebruik van algemene voorzieningen in 2016 geen inkomensafhankelijk eigen bijdrage. Voor de algemene voorzieningen kan in 2016 door de instelling een bijdrage geheven worden die niet hoger is dan de kostprijs (bijvoorbeeld bijdrage voor maaltijden, beddengoed en huisvestingskosten). Voor de maatwerkvoorzieningen geldt dat cliënten wel een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. De eigen bijdrage is inkomensafhankelijk en wordt berekend conform het Uitvoeringsbesluit Wmo. Daarbij dient de cliënt altijd minimaal de zak- en kleedgeldnorm uit de Participatiewet ontvangen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt wanneer de cliënt, naar het oordeel van de gemeente, verzuimt om waar mogelijk gebruik te maken van wetten en regelingen die het inkomen aanvullen. Wanneer de gemeente de bijdrage van een cliënt om persoonlijke omstandigheden van een cliënt onredelijk vindt, kan besloten worden de eigen bijdrage te verlagen. De bijdrage wordt geïnd door de gemeente waar de cliënt in een voorziening verblijft indien de betreffende cliënt gebruik maakt van een uitkering in het kader van de Participatiewet. Indien de cliënt een andere vorm van inkomsten heeft wordt de bijdrage door de instelling voor maatwerkvoorziening­en, namens de gemeente, voor opvang geïnd. De eigen bijdragen worden overgemaakt naar de instellingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel