Bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij neemt het bevoegd gezag de in artikel 3:5, tweede en derde lid van deze verordening bepaalde andere geurnormen/minimale vaste afstanden, als bedoeld in artikel 6 van de Wet, in acht.
Voor de aangewezen gebieden, zoals aangegeven in artikel 3:5 van deze verordening, gelden de bij deze verordening behorende kaarten.
De in deze verordening bepaalde begrenzingen en andere geurnormen/minimale vaste afstanden zijn, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de Wet, gebaseerd op de bij deze verordening behorende “geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij”.
HOOFDSTUK › Paragraaf
Artikel 3:4
Aanwijzing gebieden
Onderdeel van Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2020