Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een algemene voorziening, een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, met als maximum de kostprijs.
De bijdrage in de kosten is gelijk aan het maximale bedrag, zoals genoemd in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 doch ten hoogste €19,00 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3. van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.
In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer een starttarief van €1,50 per enkele rit en €0,20 per gereden kilometer.
Geen bijdrage in de kosten is verschuldigd indien:
het resultaat behaald kan worden door een voorziening in de vorm van een woningaanpassing in algemene ruimten;
het resultaat behaald kan worden door een voorziening in de vorm van aanpassingen aan eerder verstrekte woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen;
een maatwerkvoorziening is verstrekt in de vorm van een rolstoel;
sprake is van een collectieve voorziening, zijnde een rolstoelpool een scootmobielpool of een duofietspool.
De bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening is verschuldigd zolang de hiernavolgende termijnen niet zijn verstreken:
zeven jaar voor vervoersvoorzieningen ;
zeven jaar voor roerende woonhulpmiddelen;
tien jaar voor woningaanpassingen, niet zijnde een aanbouw;
vijftien jaar voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw;
drie jaar voor een sportvoorziening.
De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de prijs die het college is verschuldigd op basis van de daadwerkelijke prijs van de desbetreffende voorziening, zoals deze is neergelegd in de contracten die met aanbieders zijn gesloten. De kostprijs van een PGB is gelijk aan de hoogte van het PGB.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
HOOFDSTUK 4:
Artikel 32
Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
Onderdeel van DE VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE WESTSTELLINGWERF 2021