De inzameling kan plaatsvinden via:
een inzamelmiddel voor de gebruiker van één perceel;
een inzamelvoorziening voor gebruikers van meerdere percelen;
een inzamelvoorziening op wijkniveau.
Het college kan aanwijzen via welk al dan niet namens de gemeente verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Op grond van artikel 10 van de verordening worden de volgende inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen aangewezen:
voor huishoudelijk restafval:
een namens de gemeente verstrekte minicontainer van 240 liter voor de gebruiker van één perceel;
een (ondergrondse) verzamelcontainer voor gebruikers van meerdere percelen.
voor GFT-afval:
een namens de gemeente verstrekte minicontainer van 140 of 240 liter voor de gebruiker van één perceel;
een (bovengrondse) GFT-cocon van 240 of 660 liter voor gebruikers van meerdere percelen.
voor oud papier en karton:
een namens de gemeente verstrekte minicontainer van 140 of 240 liter voor de gebruiker van één perceel;
een (ondergrondse) papiercontainer op wijkniveau.
voor glas:
een (ondergrondse) glascontainer op wijkniveau.
voor textiel:
een (bovengrondse) textielcontainer op wijkniveau.
voor medisch materiaal:
de door de inzameldienst verzorgde maatwerkoplossingen.
voor de overige stromen genoemd in artikel 4, tweede lid, van dit uitvoeringsbesluit:
het door het college in artikel 3 aangewezen afvalscheidingsstation.
Artikel 6.