Onder marginale zelfstandige activiteiten wordt verstaan (omschrijving zoals genoemd in punt 3 van de Verzamelbrief van 18-02-2003 van de Staatssecretaris SZW):
“Productieve activiteiten van geringe omvang, die bescheiden inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd door uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vanwege oorzaken als sociaal-culturele achtergronden, het ontbreken van een opleiding, het gebrek aan ervaring met het werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur. Kenmerkend voor de activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien.”
Uit de bovenstaande definitie blijkt dat activiteiten als zelfstandige die gericht zijn op het (op termijn) wel zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan niet worden gerekend tot marginale zelfstandige activiteiten van bescheiden aard. Om die reden worden gevestigde zelfstandigen, startende zelfstandigen en bijstandsgerechtigden die aangemerkt worden als startende zelfstandigen (artikel 2 lid 3 Bbz 2004), ook al ligt het eigen inkomen beneden de bijstandsgrens, niet als marginaal zelfstandige aangemerkt. Voor hen gelden de regels voor bijstandsverlening aan zelfstandigen.
Er is geen aanleiding om ten aanzien van bijstandsgerechtigden die inkomsten verwerven uit marginale zelfstandige activiteiten af te wijken van de in de PW opgenomen algemeen geldende regels met betrekking tot de verrekening van die eigen inkomsten. Inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten zijn immers niet anders te waarderen dan inkomsten uit bijvoorbeeld enkele uren arbeid in loondienst.
Alle eigen inkomsten van bijstandsgerechtigden, waaronder begrepen worden de inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten dienen dan ook in beginsel voor 100% in mindering te worden gebracht op de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit is slechts dan anders indien belanghebbende recht heeft op een (gedeeltelijke) vrijlating van deze inkomsten.
Nadere uitleg
Op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het bijstandsgerechtigden toegestaan om werkzaamheden te verrichten als zelfstandige, mits die werkzaamheden niet van een meer dan bescheiden omvang zijn en niet gericht zij op het (op termijn) wel zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan. In dit verband wordt dan ook gesproken over marginale zelfstandigen. De beoordeling of er sprake is van een marginale zelfstandige dan wel van een zelfstandige met werkzaamheden van meer dan bescheiden omvang dient volgens de CRvB plaats te vinden aan de hand van de zich in het concrete geval voordoende feiten en omstandigheden. Hierbij dient onder meer te worden gelet op de volgende aspecten (zie CRvB 06-04-1999, nr. 98/7798 NABW):
het tijdsbeslag van de werkzaamheden die betrokkene al of niet in loondienst verricht
de al dan niet gebondenheid van de betrokkene aan die werkzaamheden voor de toekomst
de intentie van de betrokkene
de houding van de betrokkene tegenover (weder)inschakeling in de arbeid.
Het college kan indien daartoe aanleiding bestaat eerder verleende toestemming om werkzaamheden als marginale zelfstandige te verrichten weer intrekken. Van belang daarbij is dat belanghebbende voor de afbouw en beëindiging van zijn activiteiten een redelijke termijn wordt gegund. Zodoende kan hij eventuele lopende zaken afwikkelen. Indien belanghebbende het niet eens is met het intrekken van de toestemming, zal hij een bezwaarschrift moeten indienen. Aangezien dit geen schorsende werking heeft, zal hij aan de Voorzieningenrechter van de Rechtbank een voorlopige voorziening moeten vragen als hij toch zijn activiteiten wil blijven voortzetten (zie CRvB 15-10-2002, nr. 00/726 NABW).
Onderstaand wordt het gemeentelijke beleid vermeld ten aanzien van de marginale zelf-standigen.
Belanghebbenden met een uitkering op grond van de Participatiewet mogen bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten ontplooien of continueren, voor zover deze van bescheiden omvang zijn, de marginale zelfstandige. De marginaal zelfstandige is geen zelfstandige. Om van werkzaamheden van “bescheiden omvang” te kunnen spreken, moet de daaraan bestede tijd en het verdiende inkomen bescheiden zijn. Voor de bepaling van de omvang van de werkzaamheden gelden de volgende criteria:
Maximaal 50% van de normale arbeidstijd van één van de partners mag besteed worden aan zelfstandige activiteiten. Indien beide partners deelnemen aan activiteiten als zelfstandige mag het totaal van de in de onderneming gewerkte arbeidstijd niet meer bedragen dan hierboven genoemd.
Maandelijks opgave op het mutatieformulier van het bedrijfsinkomen (omzet minus acceptabele bedrijfskosten, maximaal 50% van de omzet); tevens maandelijks een afschrift van een kosten-batenoverzicht (boekhouding) meezenden.
Maandelijks worden aan de hand van de opgave van het bedrijfsinkomen de inkomsten volledig (100%) verrekend met de PW-uitkering.
Het toepassen van de zelfstandigenaftrek voor de belastingheffing is niet toegestaan.
De netto winst mag jaarlijks niet hoger zijn dan € 7.280,00. *)
Wanneer de jaarlijkse netto winst het vorenstaande niveau bereikt moet in samenhang met de andere voorwaarden gekeken worden of belanghebbende door kan starten met toepassing van de bepalingen van de PW en het Bbz 2004 of dat de werkzaamheden teruggebracht moeten worden naar een meer bescheiden niveau.
Jaarlijks belastingaangifte doen en een afschrift hiervan, tezamen met de boekhouding, inleveren bij de afdeling Welzijn (Sociale Zaken).
Na ontvangst van de aanslag deze onverwijld in te leveren bij de afdeling Welzijn (Sociale Zaken).
Aan de hand van de boekhoudgegevens (netto winst), belastingaangifte en definitieve aanslag, wordt het recht op uitkering op grond van de Participatiewet over het betreffende jaar, indien nodig, herberekend waarbij de netto winst evenredig als inkomen wordt verdeeld over de maanden waarover in het betreffende jaar recht op bijstand heeft bestaan.
Voordat toestemming tot het verrichten van zelfstandige activiteiten wordt verleend, dient te worden vastgesteld dat er geen mogelijkheden bestaan op een baan in loondienst of een werkgelegenheidstraject. Belanghebbenden die activiteiten van bescheiden omvang als zelfstandige uitvoeren, moeten blijven voldoen aan de gebruikelijke verplichtingen die aan de uitkering worden gesteld. Daarnaast moeten aan de activiteiten verplichtingen worden gesteld die eigen zijn aan het zelfstandig ondernemerschap, te weten:
Ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel
Niet meer dan 18 uur per week aan de zelfstandige activiteiten besteden (voor de inkomstenbelasting bestaat er derhalve geen recht op zelfstandigenaftrek)
De activiteiten mogen niet gericht zijn op uitbreiding van het bedrijf
Er moet een deugdelijke boekhouding worden gevoerd
De zelfstandige activiteiten moeten een eigen inkomen opleveren waardoor vermindering van de bijstand mogelijk wordt. De netto winst mag echter niet hoger zijn dan de minimum aftrek voor zelfstandigen bij een winst in de laagste categorie zoals genoemd in de Tabel Zelfstandigenaftrek van de Belastingdienst. *)
De brutowinstmarge, het prijsniveau, dient zich redelijk te verhouden tot die van de con-currenten. De bedrijfskosten dienen in verhouding te zijn tot de omvang van het bedrijf, dit een tot maximum van 50% van de bruto-inkomsten.
*) Voor het jaar 2017 bedraagt dit € 7280,00. Zie Tabel Zelfstandigenaftrek Belastingdienst.
Artikel 13.4
Marginale zelfstandigen
Onderdeel van Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem houdende regels omtrent Werk & Inkomen 2021