Vaststelling van het inkomen
Het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen wordt bepaald aan de hand van het – meest waarschijnlijke – inkomen gedurende de draagkrachtperiode (zie Draagkrachtperiode). Daarbij wordt rekening gehouden met voorzienbare wijzigingen in het inkomen.
In aanmerking te nemen inkomen
Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 Participatiewet en artikel 33 lid 5 Participatiewet niet tot het inkomen van belanghebbende gerekend. De middelen als bedoeld in genoemde artikelen worden dus ook voor de bijzondere bijstand vrijgelaten; dit deel van het inkomen wordt niet in aanmerking genomen als draagkrachtinkomen. Het inkomen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.
Inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen (artikel 31 lid 2 onderdeel h Participatiewet) worden dus alleen vrijgelaten, indien het bijzondere bijstand betreft voor een ander in de bijstand begrepen persoon dan het minderjarig kind met inkomsten uit arbeid. Betreft het een aanvraag voor het minderjarige kind zelf dan moeten deze inkomsten wel worden meegenomen.
Op het inkomen als bedoeld in punt 1 worden eventueel van toepassing zijnde buitengewone lasten in mindering gebracht voorzover - indien van toepassing - voor deze kosten niet reeds bijstand of belastingteruggave is verleend. Denk daar bij aan:
de Wlz-bijdrage;
de kosten van alimentatie- of onderhoudverplichtingen.
Het inkomen na toepassing van punt 2 is het draagkrachtinkomen op basis waarvan de draagkracht wordt berekend. zie hiervoor Draagkracht.
In aanmerking te nemen vermogen
100% van het vermogen dat uitstijgt boven het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet.
Artikel 6.42
In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht
Onderdeel van Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem houdende regels omtrent Werk & Inkomen 2021