Naar hoofdinhoud
1.. De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 12, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken: als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; als blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 12, derde lid, niet naleeft; voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen. 2.. Het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt in afschrift gezonden aan de gemeentelijke adviescommissie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel