**1..** Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf, met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
In hoeverre de gewenste jeugdhulp valt onder de gebruikelijke zorg die ouders redelijkerwijs aan hun kind behoren te bieden;
de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemene en/of andere voorliggende voorziening;
de wenselijkheid of noodzaak om een individuele voorziening te verstrekken;
de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking in natura of van een PGB, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze en de te volgen procedure.
**2..** Als de jeugdige en/of zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
**3..** Het plan wordt vastgesteld uiterlijk binnen zes weken nadat is komen vast te staan dat afgezien wordt van het opstellen van een familiegroepsplan.
**4..** Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.
**5..** Een individuele voorziening wordt niet toegekend als de jeugdige en de ouders de hulpvraag zelf kunnen oplossen (als bedoeld in artikel 4.3, lid 1, sub c), of als er sprake is van gebruikelijke zorg (als bedoeld in artikel 4.3, lid 1, sub d), of als er de mogelijkheid is om gebruik te maken van een andere of overige voorziening (als bedoeld in artikel 4.3, lid 1, sub e en artikel 4.3, lid 1, sub f).
**6..** Het college kan nadere regels stellen over de procedure van het gesprek