Naar hoofdinhoud
1.. De vergaderingen van het Audit Committee vinden in beslotenheid plaats. 2.. De voorzitter van het Audit Committee kan op grond van een belang, als bedoeld in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur omtrent het in een vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het Audit Committee worden overgelegd geheimhouding opleggen. Daarvan wordt in de verslaglegging als bedoeld in artikel 2, lid 4 en op de stukken melding gemaakt. 3.. Geheimhouding omtrent het in een vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. 4.. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen in acht genomen totdat het Audit Committee haar opheft. 5.. De onder 2 bedoelde geheimhouding kan ook worden opgelegd door de voorzitter van het Audit Committee, ten aanzien van stukken die aan het Audit Committee worden overgelegd. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. 6.. De onder 3 bedoelde geheimhouding wordt in acht genomen totdat degene die de verplichting heeft opgelegd, danwel bij meerderheid van stemmen het Audit Committee, haar opheft. 7.. Indien het Audit Committee zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot de raad of het college heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat de raad of het college haar opheft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel