Het college kan alleen de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo, verlenen als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
het straat- en bebouwingsbeeld en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Het college beoordeelt deze criteria als volgt:
a)Woonsituatie
De aanvrager dient er voor te zorgen dat de huidige woonsituatie van de omwonenden van de te vestigen speelautomatenhal zoveel mogelijk gehandhaafd kan blijven, waaronder in ieder geval:
voldoende lichttoetreding/bezonning en
voldoende privacy.
b)Milieusituatie
De aanvrager onderbouwt de inpassing van de speelautomatenhal in zijn directe omgeving vanuit het oogpunt van milieuzonering. Daarbij maakt de aanvrager gebruik van de systematiek van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’.
Indien deze systematiek niet gevolgd wordt, dient de aanvrager een naar het oordeel van het college, vergelijkbare systematiek te hanteren. De aanvrager stemt dit in een vooroverleg nader af met het college.
c)Straat- en bebouwingsbeeld
De aanvrager dient te streven naar een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld.
Voor de stedenbouwkundige inpassing van de speelautomatenhal dient te worden voldaan aan de volgende criteria:
transparante, open en neutrale uitstraling;
speelautomaten niet zichtbaar vanaf de openbare weg (aan het zicht onttrokken);
speelautomatenhal gevestigd op de begane grond;
geen bewegende lichtreclame op de gevel.
d)Gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden
De aanvrager dient voldoende rekening te houden met de gebruiksmogelijkheden binnen andere bestemmingen op aangrenzende gronden, indien deze door de vestiging van de speelautomatenhal onevenredig negatief kunnen worden beïnvloed.
Artikel 1.