De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige leidingen en overige objecten wordt voorkomen. Schade aan aanwezige (diep)drainagesystemen of irrigatiesystemen moet worden voorkomen of adequaat worden hersteld na de uitvoering.
Als op basis van het archeologisch vooronderzoek een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding verplicht is gesteld, dient hiermee rekening te worden gehouden.
Bij het graven van de sleuf gelden de volgende eisen:
Er mag niet dieper wordt ontgraven dan het niveau dat is aangegeven voor de onderkant van de leiding in verband met optredende klink van geroerde grond, tenzij er met de vergunningverlener anders overeen gekomen is.
Bij machinaal ontgraven is het niet toegestaan een tandenbak te gebruiken.
Het is niet toegestaan leidingen aan te prikken met een scherp/puntig voorwerp.
De wijze van ontgraven die wordt toegepast, dient beschadigingen van naastliggende leidingen uit te sluiten.
Het is verboden machinaal te graven binnen een straal van 0,50 m vanaf de uitwendige diameter van de leiding(en) of mantelbuis(-buizen).
Het talud moet zijn aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, opdat de sleufwanden niet kunnen instorten en/of uitzakken. Zo nodig moet de sleufwand met aan te brengen schotten worden gestut.
De sleufbodem dient zo uitgevoerd te worden dat de leiding wordt aangelegd zoals in de berekening is voorzien. Het kan nodig zijn een zandlaag/grondverbetering onder de leiding aan te brengen.
De sleuf moet worden vrijgehouden van voorwerpen die de leiding zouden kunnen beschadigen. Grind, stenen en/of andere harde materialen nabij de definitieve plaats van de leiding moeten worden verwijderd en afgevoerd.
Bij bomen moet rekening gehouden worden met de bomenverordening Molenlanden en de voorschriften zoals weergegeven in bijlage 2.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.6
Artikel 5.6.2
Graven sleuf
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen 2021 gemeente Molenlanden