Een uitweg mag worden aangelegd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
De bruikbaarheid van de weg wordt voldoende gewaarborgd. Daarbij geldt dat de aanleg van een uitweg er niet toe mag leiden dat een openbare parkeerplaats wordt opgeheven of niet meer bruikbaar is, met uitzondering van de volgende situaties:
als de parkeerbalans niet wordt aangetast door de verwijdering van een openbare parkeerplaats ten behoeve van de uitweg,
als de parkeerbalans wordt hersteld door de aanleg van een nieuwe openbare parkeerplaats in de onmiddellijke omgeving.
De uitweg moet passen binnen de functie van de weg.
Per perceel mag uitsluitend één uitweg worden aangelegd. Dit geldt ook als een perceel door meerdere wegen wordt omsloten, of als het gaat om aaneengesloten gronden die bestaan uit meerdere (kadastrale) percelen.
De aanleg van een tweede uitweg is alleen mogelijk op basis van medische en logistieke gronden, mits dit niet ten koste gaat van de verkeersveiligheid, het opheffen van een parkeerplaats of ten koste gaat van een groenstrook die onderdeel uitmaakt van een groenstructuur.
De verkeersveiligheid moet voldoende gewaarborgd zijn. Hiervan is sprake als de uitweg qua vormgeving, uitvoering en uniformiteit als zodanig door de weggebruiker te herkennen is en door de aanleg van de uitweg geen verkeersgevaarlijke situaties ontstaan.
De uitweg mag niet worden gebruikt als parkeerplaats voor motorvoertuigen, caravans, campers, bestel- en vrachtwagens of hiermee te vergelijken (motor)voertuigen of objecten. Ook mag er niet geparkeerd worden in de voortuin voor de voorgevel van het pand.
Om de verkeersveiligheid te kunnen waarborgen:
mag de uitweg niet breder en langer zijn dan redelijkerwijs noodzakelijk is;
mag de uitweg enkel zodanig gesitueerd zijn dat er voldoende zicht is op de weg en vice versa;
mag de uitweg niet in een kruisingsvlak van wegen gesitueerd zijn;
mag de uitweg niet gesitueerd zijn binnen de directe invloedsfeer van een kruispunt dat wordt geregeld door een verkeerslicht;
mag de uitweg enkel zodanig gesitueerd zijn dat voldoende rekening wordt gehouden met bomen en bebording.
De uitweg mag het uiterlijk aanzien van de omgeving niet op onaanvaardbare wijze aantasten. Hier is sprake van als:
De uitweg het bijzondere architectonische beeld van de weg of de wijk doorkruist;
De uitweg markante percelen, openbaar groen en/of bomenrijen en beplanting doorkruist;
De uitweg op onaanvaardbare wijze inbreuk maakt op de groenvoorziening van de gemeente. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de uitweg een groenstrook doorbreekt die voor het straatbeeld van belang wordt geacht. Hetzelfde geldt voor te beschermen bomen of houtopstanden die voor de aanleg van de uitweg moeten worden gekapt.