De financiële draagkracht in het inkomen van de aanvrager wordt bepaald aan de hand van de ontvangen netto inkomsten over januari 2021.
Onder inkomen van de aanvrager wordt in ieder geval verstaan:
winst uit onderneming;
inkomen uit arbeid in loondienst;
inkomen uit een uitkering;
inkomen uit verhuur van woonruimte;
inkomen uit partner- en/of kinderalimentatie.
Voor aanvragers die een uitkering ingevolge de Participatiewet ontvingen, wordt het inkomen geacht gelijk te zijn aan het sociaal minimum.
Wanneer de aanvrager in de peilmaand alimentatie betaalde, wordt het inkomen verminderd met het bedrag daarvan.
Winst uit onderneming wordt verminderd met 17% met het oog op belasting en premies die daarover naar verwachting verschuldigd zijn. Inkomsten uit verhuur worden met hetzelfde percentage verminderd.
Van een inkomen tot aan het sociaal minimum wordt de aanvrager geacht € 430,-- per maand te kunnen betalen aan noodzakelijke woonkosten als bedoeld in artikel 3.
Als sociaal minimum wordt voor de toepassing van deze beleidsregels verstaan een bedrag van € 1.226,- voor een alleenstaande aanvrager, dan wel € 1.751,- voor een samenwonende aanvrager.
Artikel 5
– Financiële draagkracht in het inkomen
Onderdeel van Tijdelijke beleidsregels TONK Meierijstad