In het Besluit bodemkwaliteit is vastgelegd welke instanties bevoegd gezag zijn voor toepassingen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Dit bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de handhaving. Voor toepassingen op de landbodem is in het algemeen de gemeente het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen (zoals bedoeld in de Wet milieubeheer) is echter de vergunningverlener bevoegd gezag voor toepassingen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Binnen inrichtingen met een provinciale omgevingsvergunning is dus de provincie Zeeland het bevoegd gezag. Voor toepassingen op de waterbodem is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (waterschap danwel Rijkswaterstaat).
Als grens tussen de landbodem en de waterbodem geldt:
Sloten (ook als deze een groot deel van het jaar droog staan) zijn waterbodem vanaf de bovenkant van de insteek van de sloot;
De buitenkruin van de zeedijk geldt als grens tussen de landbodem en de waterbodem.
Bij grensgevallen die onder het bevoegd gezag van verschillende overheden vallen overleggen de bevoegde overheden wie de rol van bevoegd gezag voor de specifieke situatie op zich neemt.
Omdat in deze Nota bodembeheer gebiedsspecifiek beleid is opgenomen, ligt de bevoegdheid tot vaststellen van dit beleid bij de gemeenteraad. Hierbij dient een voorbereidingsprocedure conform artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is gevolgd (zie hoofdstuk 1.7).
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.2
Bevoegd gezag
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Tholen houdende regels omtrent het bodembeheer