Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8.

Artikel 8.11

Dempen van oppervlaktewater

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Tholen houdende regels omtrent het bodembeheer

Bij het dempen van oppervlaktewater gaat waterbodem over in landbodem. In alle gevallen moet overleg plaatsvinden tussen gemeente en waterschap Scheldestromen. Als een geïsoleerde watergang (er is geen verbinding met ander oppervlaktewater) volledig wordt gedempt, is gedurende de demping de gemeente het bevoegd gezag (acceptatie melding, toezicht en handhaving). In alle overige situaties is het waterschap Scheldestromen gedurende de demping het bevoegd gezag. Na demping van een watergang waardoor nieuwe landbodem is ontstaan, valt de gedempte watergang onder het bevoegde gezag van de gemeente. Bij demping van oppervlaktewater moet de kwaliteit van de aanvulgrond gelijk zijn of beter dan de kwaliteit van de omliggende bodem. Als een demping plaatsvindt van oppervlaktewater dieper dan 2 meter-maaiveld, moet de demping vanaf deze diepte plaatsvinden met grond die voldoet aan de kwaliteitseisen voor schone grond. Uitgangspunt is dat de baggerlaag verwijderd moet worden voordat het oppervlaktewater wordt gedempt.

Rechtspraak bij dit artikel