Naar hoofdinhoud
In deze paragraaf worden de uitgangspunten toegelicht die worden gehanteerd bij het bepalen van de omvang van de investeringen. Het gaat dan met name om de hoogte van de stichtingskosten en de afschrijvingstermijnen die van toepassing zijn. Voor alle genoemde bedragen is het prijspeil 2020 gehanteerd. Kosten voor tijdelijke huisvesting en eventuele aankoop van gronden zijn buiten beschouwing gelaten. In het verlengde daarvan is er evenmin rekening gehouden met mogelijke grondopbrengsten bij het vrijvallen van locaties. 5.1.1 Stichtingskosten en afschrijftermijn (vervangende) nieuwbouw De verordening onderwijshuisvesting bevat normbedragen aan de hand waarvan de stichtingskosten van een nieuw schoolgebouw worden vergoed. Met het normbedrag wordt het schoolbestuur geacht alle kosten (opstellen programma van eisen, architect, adviseurs, leges, aannemer) te betalen, met uitzondering van de grond waarop de school wordt gebouwd. Die levert de gemeente conform de bepalingen in de wet om niet bouwrijp op aan het schoolbestuur. De normbedragen in onze gemeente zijn gebaseerd op de werkelijke kostenontwikkeling in de scholenbouw. In dit IHP wordt gerekend met een bedrag van € 2.700,- incl. btw per m2 bvo voor de stichtingskosten van een nieuw schoolgebouw. Een nieuw schoolgebouw wordt afgeschreven in 40 jaar. 5.1.2 Stichtingskosten en afschrijftermijn renovatie Het is ook mogelijk bestaande schoolgebouwen te renoveren. In de verordening is opgenomen dat een renovatie leidt tot een levensduurverlenging van minimaal 25 jaar waarbij de werkelijke stichtingskosten van de renovatie ten hoogste 25/40 van het normbedrag voor nieuwbouw mogen zijn. Daarom wordt voor renovatie een bedrag van (25/40 * € 2.700,-) = € 1.687,50 per m2 bvo gehanteerd. De kosten van een renovatie worden in 25 jaar afgeschreven. 5.1.3 Rentevoet Voor het berekenen van de kapitaallasten wordt met een rente van 1% gerekend.

Rechtspraak bij dit artikel