Bij woningen spelen bijzondere belangen die niet aan de orde zijn bij lokalen. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet op een woning kan voor de bewoners namelijk mogelijk ingrijpende gevolgen hebben, die een inbreuk kunnen vormen in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Hieraan komt zwaar gewicht toe bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik kan maken en zo ja, op welke wijze. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet volgt dat in algemene zin bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan en moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken.
Onderscheid bewoonde en niet-bewoonde woningen
Voor lokalen geldt dit uitgangspunt van eerst waarschuwen niet. Ook als een woning niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt geldt het bovenstaande niet. Daarom wordt in deze beleidsregel tevens onderscheid gemaakt tussen bewoonde en niet-bewoonde woningen. De vraag of een woning daadwerkelijk als woning in gebruik is, wordt per geval beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Huurwoningen woningbouwcorporaties
De burgemeester zal slechts tot sluiting van een huurwoning van één van de woningbouwcorporaties in Meierijstad overgaan nadat de verhuurder er schriftelijk op is gewezen dat de huurovereenkomst civielrechtelijk kan worden ontbonden en hieraan geen gevolg is gegeven binnen de door de burgemeester gestelde termijn. Reden hiertoe is dat met deze woningcorporaties onder artikel 7.3 van het uitvoeringsprotocol behorend bij het ¬¬¬¬¬¬¬¬ hennepconvenant Oost- Brabant is afgesproken dat zij bij geconstateerde drugshandel direct overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst.
De achtergrond hiervan is gelegen in het feit dat met de woningcorporaties een hennepconvenant is gesloten, op grond waarvan zij zowel preventieve controlemaatregelen moeten doorvoeren alsmede effectief moeten optreden bij constatering van drugshandel. Dit gegeven in samenhang bezien met het feit dat woningcorporaties een bijzondere verantwoordelijkheid hebben op grond van de huisvestiging, wordt een directe sluiting van woningen die tot de sociale huurwoningvoorraad behoren wegens overtreding van de Opiumwet in beginsel niet opportuun geacht. In plaats daarvan wordt een woningcorporatie aldus in beginsel eerst de gelegenheid geboden om de huurovereenkomst te ontbinden en ontruiming te vorderen, bij gebreke waarvan sluiting alsnog volgt. Deze benadering is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en dat heeft de Afdeling reeds uitgemaakt in haar uitspraak van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2270).
Het voorgaande laat onverlet dat de burgemeester in ernstige gevallen evenwel kan afzien van aanbieden van de mogelijkheid aan een woningbouwcorporatie om de huurovereenkomst te ontbinden en ontruiming te vorderen en in plaats daarvan kan besluiten tot sluiting van de woning ex artikel 13b van de Opiumwet. Te denken valt bijvoorbeeld aan gevallen waarbij de omgeving en buurtbewoners last hebben ondervonden van drugsgebruik- en handel. In een dergelijk geval weegt de signaalfunctie van een zichtbare sluiting zwaarder.
In alle overige gevallen van particuliere huurwoningen geldt deze beperking niet en volgt in principe sluiting van de woningen.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Bijzondere belangen bij woningen
Onderdeel van Beleidsregels 13b Opiumwet Meierijstad