Naar hoofdinhoud
1.. Van het inkomen boven 110% van de referentienorm is 35% draagkracht waarbij het deel van het inkomen waarover door beslag of een schuldhulpverleningstraject niet kan worden beschikt, niet wordt meegenomen bij het bepalen van de draagkracht. 2.. Overige geldmiddelen boven het bedrag als bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet worden voor 100% draagkracht in aanmerking genomen. 3.. Overige geldmiddelen zijn: contant geld; geld op betaal- en spaarrekeningen; cryptovaluta (zoals bitcoins); de waarde van effecten zoals beleggingsregelingen met aandelen, obligaties, opties en effecten in depot. 4.. De draagkracht wordt op de peildatum vastgesteld. 5.. Bij onregelmatige inkomsten is het gemiddelde inkomen in de drie maanden voorafgaande de peildatum bepalend. 6.. De draagkracht wordt voor de duur van de toekenning vastgesteld door de draagkracht per maand te vermenigvuldigen met het aantal maanden waarop de toekenning betrekking heeft. 7.. Een éénmaal vastgestelde draagkracht kan alleen tijdens de draagkrachtperiode worden gewijzigd bij een zeer ingrijpende wijziging in de omstandigheden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel