Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.1

Artikel 2.1.2

Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder b, van de verordening

Onderdeel van Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland houdende regels omtrent urgentieverklaringen bij een huisvestingsaanvraag

Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor indeling in een urgentiecategorie mogelijk is, bij de volgende op zichzelf staande situaties: de huidige woning verkeert in een slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit; de aanvrager ervaart (geluids)overlast in de woning; de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager; de aanvrager kan door medische klachten de huidige woning of bijbehorende tuin niet meer zelf onderhouden; de aanvrager wil of moet vanwege werk verhuizen; de aanvrager ervaart problemen, omdat de aanvrager met of zonder kinderen inwonende is; de aanvrager of diens partner is zwanger; de aanvrager is gescheiden of de samenwonende- of de partnerrelatie is verbroken, de aanvrager woont in een onzelfstandige woonruimte; de aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten; de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst; de aanvrager woont in onderhuur; de aanvrager is of wordt dakloos; de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap; de aanvrager heeft psychische problemen als gevolg van één of meer van de hierboven genoemde omstandigheden. De aanvrager is medehuurder, of samenwonende van een woonruimte en is niet langer in staat om samen met de andere huurder(s) of bewoner(s) in dezelfde woonruimte te verblijven.

Rechtspraak bij dit artikel