Het gaat in dit artikel om de aanvragers die verblijven in een blijf-van-mijn-lijfhuis of opvang wegens (dreigend) geweld. Het college kan een woningzoekende in deze urgentiecategorie op grond van artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 indelen, indien er geen sprake is van een afwijzingsgrond zoals vastgelegd in artikel 4:5, onder a tot en met l van de verordening en de aanvrager:
tenminste twee maanden verblijft in een instelling voor tijdelijke opvang van slachtoffers van huiselijk geweld, volgens gegevens uit de BRP;
een kopie van de aangifte kan overleggen van mishandeling door de partner of familielid, of een verklaring van de politie die aangeeft dat er geen aangifte kan worden gedaan vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar een misdrijf waarvan de aanvrager slachtoffer is;
indien deze getrouwd was of een geregistreerd partnerschap was aangegaan met de dader beschikt over een echtscheidingsbeschikking of kan aantonen het echtscheidingsproces in gang te hebben gezet en niet in staat is om de uitspraak af te wachten;
de voorliggende voorzieningen al heeft benut, waaronder de mogelijkheid om als medehuurder erkend te worden en op basis van het huurrecht de voormalige gezamenlijke woning op te eisen;
tenminste 23 jaar of ouder is, als er geen sprake is van een echtscheiding en het slachtoffer inwonend was alvorens bij deze opvang te verblijven;
een risico-screening van de instelling van opvang kan overleggen, die aansluit op de aangifte of verklaring van de politie en waaruit blijkt dat er risico op herhaald geweld bestaat.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.1