Naar hoofdinhoud
1.. Het college onderzoekt middels een gesprek tussen de jeugdige en/of zijn ouders en eventueel deskundigen, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de hulpvraag van de jeugdige en/of de ouders, en; de problematiek; of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen, en; welke hulp naar aard en omvang nodig is om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en; welke voorliggende mogelijkheden aanwezig zijn waarbij onderzocht wordt: of aanspraak kan worden gemaakt op een voorliggende voorziening, en; of aanspraak kan worden gemaakt op een algemene voorziening zoals bedoeld in hoofdstuk 3 en 4 Verordening, en; of ouders voldoende eigen kracht, zoals bedoeld in artikel 3.6, om aan de hulpvraag van de jeugdige te kunnen voldoen; of aanspraak gedaan kan worden op een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige, en/of; het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp, en; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen, en/of; hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en/of; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel