Naar hoofdinhoud
1.. In aanvulling op artikel 3.11 van de verordening verlenen de jeugdige en/of ouders hun medewerking aan het onderzoek als bedoeld in artikel 3.4 van de verordening om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening. 2.. De jeugdige en zijn ouders verlenen hun medewerking aan een evaluatie van de ingezette jeugdhulp als het college hierom verzoekt. 3.. De jeugdige en/of zijn ouders verschaffen aan het college alle gegevens en bescheiden, die naar het oordeel van het college nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Het college kan hiervoor nadere regels stellen. 4.. De jeugdige en/of zijn ouders informeren het college in ieder geval: wanneer er wijzigingen plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld een verhuizing naar een andere gemeente, die het recht op jeugdhulp kunnen beïnvloeden; als de ingezette jeugdhulp niet (meer) passend is, en waarom deze jeugdhulp niet of niet meer passend is. als de doelen uit het ondersteuningsplan bij het eindigen van de zorg niet zijn behaald. De jeugdige en/of zijn ouders geven aan wat naar hun oordeel de reden is dat de doelen niet zijn behaald. bij overige door het college te bepalen situaties. 5.. Als de jeugdige en/of ouders onvoldoende medewerking aan het onderzoek als bedoeld in artikel 3.4 Verordening verleent en daardoor de situatie van de jeugdige en/of ouders onvoldoende in kaart kan worden gebracht, kan er geen individuele voorziening worden verstrekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel