Naar hoofdinhoud
1.. De meerkosten van levensonderhoud van 18- tot en met 20-jarigen die niet in een inrichting verblijven en die geen of onvoldoende beroep kunnen doen op hun ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van levensonderhoud. 2.. Een 18- tot en met 20-jarige kan in ieder geval geen of onvoldoende beroep op de zorgplicht van de ouders doen als een van de volgende situaties zich voordoet: De onderhoudsplichtige ouder of ouders zijn overleden; De jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van de ouder of ouders is geplaatst; De ouders onvindbaar of niet bereikbaar zijn; Er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s). 3.. Een aanvraag voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jong meerderjarigen wordt, analoog aan artikel 41 lid 4 Participatiewet, niet eerder ingediend dan vier weken na datum melding en wordt niet eerder dan vier weken na die melding door het college in behandeling genomen. Hiervan kan worden afgeweken als dit tot financiële problemen bij de belanghebbende leidt. 4.. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld: De algemene bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar wordt aangevuld met bijzondere bijstand voor levensonderhoud, zodat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand + bijzondere bijstand) niet méér bedraagt dan de bijstandsuitkering die in een vergelijkbare situatie geldt voor personen van 21 jaar of ouder. 5.. In afwijking van lid 4 wordt de bijzondere bijstand lager vastgesteld indien er sprake is van: kostendeling; ontbrekende woonlasten; recente beëindiging van een opleiding. Het bedrag van de verlaging wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel