**1..** Het college beoordeelt welk deel van de hulpvraag jeugdigen en/of ouders zelf met behulp van hun sociaal netwerk kunnen oplossen en waar moet worden aangevuld door middel van een individuele voorziening.
**2..** Het college stelt voor het beoordelen van de mate van het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, de ouders en/of het sociaal netwerk, in volgorde, in ieder geval de volgende vragen:
Wat is de behoefte van de jeugdige, mede gelet op de benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan?
Is de jeugdige, de ouders en/of het sociaal netwerk in staat om de benodigde jeugdhulp te bieden?
Is de jeugdige, de ouders en/of het sociaal netwerk beschikbaar om de benodigde jeugdhulp te bieden?
Levert het bieden van de jeugdhulp overbelasting op?
Levert het bieden van de jeugdhulp financiële problemen op?
**3..** Bij een aanvraag voor een informeel pgb wordt het probleemoplossend vermogen van ouders, voor zover dit samenhangt met de financiële draagkracht en het belang om in een inkomen te voorzien, geacht voldoende aanwezig te zijn als de financiële situatie van de ouders dermate toereikend is dat zij ook na de noodzakelijke vermindering van de arbeidstijd beschikken over een inkomen dat 120% is van de norm bedoeld in artikel 8 Wml. Het college toetst steeds in het individuele geval of van het in de vorige volzin genoemde uitgangspunt moet worden afgeweken.’
**4..** Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
HOOFDSTUK 3: › § 4.
Artikel 3.7