Grond en baggerspecie hebben in het Bbk een apart beleidskader gekregen. In het vorige beleid (Bouwstoffenbesluit) vielen zij onder steenachtige bouwstoffen, een onnatuurlijke plaats. De regelgeving rond grond en baggerspecie is nu meer samenhangend en minder versnipperd over allerlei regelingen.
Daarnaast is ruimte voor maatwerk gegeven aan lokale overheden. De lokale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor het beheer van hun bodem. Lokaal kan men daarmee sturen op meer of minder verontreinigde bodemkwaliteit. Daarom bestaat de mogelijkheid om naast een landelijk geldend generiek beleidskader zelf een eigen, gebiedsspecifiek beleid op te stellen, binnen de randvoorwaarden die het Bbk stelt.
Grond of baggerspecie wordt na toepassing beschouwd als onderdeel van de bodem en niet meer als ‘werk’ met een verwijderplicht, zoals in het Bouwstoffenbesluit. Een toepassing moet wel altijd ‘nuttig’ zijn. Het Bbk geeft daarom een opsomming van toepassingen die toegestaan zijn, zoals toepassen in bouw- en wegconstructies, geluidwallen, ophogen van bouwlocaties, grondverbetering (agrarische gebieden), etc..
Een belangrijk uitgangspunt is dat het toepassen van grond of baggerspecie duurzaam moet zijn. Daartoe is voor een aantal bodemfuncties een duurzame kwaliteit gedefinieerd. Bodem die aan die kwaliteitseisen voldoet, wordt naar huidige stand van kennis verondersteld ook op lange termijn geschikt te zijn voor die functie. Een wettelijke eis is daarom dat elke gemeente op een kaart vastlegt welke functies ten aanzien van bodemkwaliteit gelden, de zogenaamde bodemfunctieklassenkaart. Omdat er plaatselijk bijzondere omstandigheden kunnen zijn, is het mogelijk om lokaal van de landelijke normen af te wijken. Dan wordt gesproken over Lokale Maximale Waarden (LMW).
Het generiek beleid en de uitwerking daarvan voor onze regio wordt nader behandeld in hoofdstuk 3. Op gebiedsspecifiek beleid wordt dieper ingegaan in hoofdstuk 4.
Een tweede uitgangspunt onder het generieke beleid is dat er sprake moet zijn van het standstill- beginsel. Bodemkwaliteit wordt onder het Bbk ingedeeld in bodemkwaliteitsklassen. Dat zijn de klassen Achtergrondwaarde (‘schoon’), Wonen en Industrie. Onder het generieke beleidskader mag toe te passen grond of baggerspecie (op klassenniveau) nooit meer verontreinigd zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem.
Er zijn een paar toepassingsmogelijkheden met afwijkende regels. Dat zijn met name:
Grootschalige bodemtoepassingen (Gbt)
Dit zijn grootschalige werken zoals bijvoorbeeld de aanleg van een geluidwal, het verondiepen van zandwinplassen en dergelijke.
Hiervoor gelden landelijk vastgestelde, aparte regels. Zo mag grond in de kern van een Gbt meer verontreinigd zijn dan de ontvangende bodem (op landbodem maximaal klasse Industrie). Wel worden er dan eisen gesteld aan het uitlooggedrag van de toegepaste grond. Ook moet een afdeklaag aangebracht worden van een bij de omgeving passende kwaliteit.
Andere eisen zijn o.a. een minimale omvang en hoogte. Tevens moet iemand verantwoordelijk zijn voor het beheer. De constructie moet immers ook onderhouden worden.
Verspreiden van baggerspecie op naastliggende percelen
Baggerspecie wordt in Nederland, vooral als onderhoud van het polderlandschap, al eeuwen op de kant gezet. Om deze wijze van werken niet te verstoren is voor het ‘verspreiden van baggerspecie op naastliggende percelen’ een afwijkend beleidsregime van toepassing.
Ook dit zijn landelijke regels die lokaal niet gewijzigd kunnen worden.
In hoofdstuk 6 wordt uitgebreider op toepassen van baggerspecie ingegaan.
Voor veel toepassingen geldt een meldingsplicht. Zie hiervoor hoofdstuk 8.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3.