Onder het generieke beleid wordt, op klassenniveau, getoetst aan de strengste van twee aspecten:
De bodemfunctieklassenkaart
De kwaliteit van de ontvangende bodem
Bij gebiedsspecifiek beleid kan d.m.v. LMW afgeweken worden van de generieke klassengrenzen. Evenzo kunnen andere toetsingsregels vastgesteld worden.
Dat kan erg divers zijn.
Om een paar voorbeelden te noemen:
Bij gebiedsspecifiek beleid wordt altijd een bodemkwaliteitskaart voor de betreffende zone opgesteld. Die kan ook gebruikt worden om vrij grondverzet binnen de zone toe te staan, ook zonder onderzoek.
Omgekeerd kan juist bepaald worden dat elk perceel grond of elke partij grond wel onderzocht moet worden en dat voor toepassing altijd getoetst moet worden aan de LMW. Bijvoorbeeld omdat een bepaalde stof soms te sterk verhoogd kan voorkomen en je daarvan hergebruik ter plaatse wil beperken.
De bodemkwaliteitskaart kan als bewijsmiddel worden toegestaan voor vrijkomende grond.
Voor grond van buiten de zone kan toetsing aan de LMW vereist worden.
Evenzo kan, indien gewenst, er voor gekozen worden dat externe grond aan de generieke (in het algemeen strengere) eisen moet worden voldaan. De verruimde norm geldt dan alleen voor grond uit het gebied zelf.
De toepassingsregels zijn per gebiedsspecifieke zone opgenomen in het betreffende hoofdstuk.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.4.