a. De vereisten voor het raadslidmaatschap, als bepaald in de artikelen 10, 11 en 13 van de Gemeentewet, zijn van overeenkomstige toepassing op het steunfractielidmaatschap.
b. Het steunfractielid verricht geen handelingen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Gemeentewet.
c. De raad kan ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Gemeentewet, aanhef en onder d, van de Gemeentewet.
d. Artikel 12 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing op het steunfractielid.
e. Als blijkt dat het steunfractielid zich op welke wijze dan ook niet aan de hem of haar gestelde of de voor hem of haar geldende plichten houdt, kan de voorzitter van de raad de rechten van het steunfractielid als in deze verordening omschreven zijn, tijdelijk ontnemen, vooruitlopende op het besluit ter zake van de raad.