Het pgb-plan
Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget dient de jeugdige en/of zijn ouder(s) hiervoor een ingevuld en ondertekend pgb-plan in te leveren. Dit kan voor of zo spoedig mogelijk na het gesprek.
Het pgb-plan omvat de uitwerking van de benodigde hulp en de daarmee samenhangende kosten voor een persoonsgebonden budget. Het pgb-plan moet volledig zijn ingevuld en omschrijven welke hulp er op welk moment nodig is en op welke manier de zelfredzaamheid (daar waar mogelijk) gerealiseerd wordt. Het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is omschreven in concrete resultaten. Door een concrete omschrijving wordt achteraf getoetst of de gestelde doelen worden gerealiseerd. Tijdens het gesprek krijgt de jeugdige en/of zijn ouder(s) alle informatie die nodig is voor het opstellen van een pgb-plan.
Doel van een persoonsgebonden budget
Een persoonsgebonden budget kan een geschikt instrument zijn voor de jeugdige om zijn leven naar eigen wensen en behoefte in te vullen.
Een persoonsgebonden budget kan passend zijn als:
een vaste hulpverlener gewenst is;
on-planbare hulp nodig is;
de gewenste jeugdhulpaanbieder niet is gecontracteerd.
Voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een persoonsgebonden budget te kunnen krijgen
de ouder(s) dient tijdens het onderzoek een pgb-plan te overhandigen;
wanneer bij de aanvraag geen ingevuld en ondertekend pgb-plan aanwezig is, dan wordt de jeugdige en/of zijn ouder(s) een hersteltermijn gestuurd (art. 4:5 Algemene wet bestuursrecht) met een laatste termijn om het pgb-plan alsnog in te leveren. Daarbij wordt opgenomen dat wanneer het pgb-plan niet tijdig retour wordt ontvangen, een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget niet mogelijk is, maar misschien wel in de vorm van zorg in natura. Dit wordt door de jeugdconsulent beoordeeld;
het persoonsgebonden budget dient in Nederland besteed te worden. Er bestaat geen recht op persoonsgebonden budget voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij de gemeente hier vooraf expliciet toestemming voor verleent;
als de jeugdige de individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget geleverd wil hebben moet de jeugdige en/of zijn ouder(s) of zijn budgetbeheerder in staat zijn om een pgb-plan te maken en een zorgverleningsovereenkomst af te sluiten met de jeugdhulpaanbieder;
Het is niet toegestaan om tussenpersonen of belangenbehartigers uit het persoonsgebonden budget te betalen;
Het persoonsgebonden budget bevat geen vrij besteedbaar deel;
Een persoonsgebonden budget wordt toegekend onder de voorwaarden dat:
De jeugdige en/of zijn ouder(s) naar het oordeel van de gemeente op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
De jeugdige en/of zijn ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de individuele voorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen;
Naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de jeugdhulp veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt
Degene die jeugdhulp verleent dient te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Zie hiervoor hetgeen is bepaald op pagina 28 (inzet door de professionele zorgverlener) en pagina 2 9 (inzet door de informele zorgverlener)van deze regels.
Een budgetbeheerder is de persoon die het geld van het persoonsgebonden budget beheert en de administratie daarover voert voor de jeugdige, dit kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf zijn.
Pgb-vaardigheid
De gemeente controleert niet alleen of een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan de voorwaarden van een persoonsgebonden budget voldoet. Zij controleert ook of men met een persoonsgebonden budget kan omgaan. Daarmee wil de gemeente voorkomen dat men in de problemen komt. Bijvoorbeeld omdat men niet weet welke hulp een jeugdige nodig heeft. Of hoe men goede afspraken maakt met een jeugdhulpaanbieder.
Een ouder is of ouder(s) zijn pgb-vaardig als hij de volgende taken zelf kan verrichten:
Een zorgovereenkomst met een hulpverlener kunnen en durven af (te) sluiten;
De hulpverlener kunnen en durven aan te spreken over de kwaliteit van de geleverde hulp;
De hulpverlener kunnen en durven aan te spreken over de gemaakte afspraken; oftewel wordt er gedaan wat er is afgesproken;
Indien nodig vervanging van de hulpverlening regelen; bijvoorbeeld bij ziekte van de hulpverlener;
De bestedingen uit het persoonsgebonden budget in de gaten houden (op de website van de Sociale Verzekeringsbank: verder te noemen SVB);
Kunnen onderbouwen welke hulp is betaald vanuit het persoonsgebonden budget;
Beseffen dat er niet meer geld uitgegeven kan worden dan wat er aan persoonsgebonden budget uitgekeerd wordt en dat indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) meer wilt uitgeven hij dat uit eigen middelen moet bekostigen.
Een pgb-vaardigheidstoets in het toekenningsproces zorgt ervoor dat een persoonsgebonden budget bewust en goed gemotiveerd wordt afgegeven of afgewezen. Uit de statistieken blijkt dat slechts vijftig procent van de dossiers van niet pgb-vaardige jeugdigen en/of hun ouders als rechtmatig wordt bestempeld. Toets tijdens de aanvraag de motivatie en of een persoonsgebonden budget een weloverwogen en onafhankelijke keus is. Goede beheersing van het Nederlands bij de jeugdige en/of zijn ouders(s) dient een voorwaarde te zijn voor toewijzing van een persoonsgebonden budget.
Voorwaarden voor het voeren van het budgetbeheer
regie kunnen uitoefenen in de levering van de jeugdhulp;
zelf kunnen bepalen wie de jeugdhulp levert en het moment waarop de jeugdhulp geleverd moet worden;
jeugdhulp kunnen kiezen en inkopen die voor hem passend is. Dat wil zeggen passend bij zijn leefsituatie en leefstijl;
Een jeugdhulpaanbieder die betaald wordt vanuit het persoonsgebonden budget kan niet optreden als budgetbeheerder.
Weigeringsgronden
In de Jeugdwet staat dat het college een persoonsgebonden budget kan weigeren (artikel 8.1.1 lid 4):
voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening, of
als het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4., eerste lid, onderdeel a, d of e.
Het gaat hier om het herzien of intrekken van een persoonsgebonden budget vanwege:
het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens waarbij de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
het niet voldoen aan de aan de individuele voorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden;
het niet of voor het ander doel gebruiken van het persoonsgebonden budget.
Als er een ernstig vermoeden is dat de jeugdige of zijn ouders problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget wordt overwogen of een persoonsgebonden budget wel de juiste leveringsvorm is voor de individuele voorziening.
Situaties waarbij het risico groot is dat het persoonsgebonden budget niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel:
de budgetbeheerder is handelingsonbekwaam;
de budgetbeheerder beschikt niet over voldoende organisatie - en regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef;
de budgetbeheerder heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke beperking of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de situatie;
er is sprake van verslavingsproblematiek bij de budgetbeheerder;
er is sprake van schuldenproblematiek bij de budgetbeheerder;
er is eerder misbruik/fraude gemaakt (van het persoonsgebonden budget) door de budgetbeheerder.
Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een persoonsgebonden budget ook niet gewenst is.
Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In deze situaties kan een persoonsgebonden budget worden geweigerd. Om een persoonsgebonden budget af te wijzen op contra-indicaties, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.
De gemeente verstrekt geen persoonsgebonden budget voor zover deze betrekking heeft op kosten die de jeugdige of zijn ouders voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte jeugdhulp noodzakelijk was.
Hierbij speelt ook eigen kracht een rol. Als blijkt dat de jeugdhulp is ingekocht, daarna pas de aanvraag plaatsvindt en de jeugdige of zijn ouders door de reeds ingekochte jeugdhulp niet in financiële problemen zijn gekomen dan is er geen reden om alsnog een persoonsgebonden budget te verstrekken.
De gemeente is wettelijk verplicht om een persoonsgebonden budget uit te betalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het persoonsgebonden budget stort op rekening van het Servicecentrum persoonsgebonden budget van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgetbeheerder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren jeugdhulp zijn geleverd. De SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de jeugdhulpverlener.
Om zorg te dragen dat pgb-uitgaven gecontroleerd kunnen worden is het niet mogelijk om met een vast maandloon te werken. Van de jeugdhulpaanbieder wordt verwacht dat hij zijn gewerkte uren/facturen declareert bij de SVB.
De niet bestede pgb-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.
Het is belangrijk dat de jeugdige of zijn ouders vooraf goed weten wat het persoonsgebonden budget inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij daarbij hebben. De budgetbeheerder krijgt informatie bij de melding en tijdens het gesprek. Die informatie is nodig voor het opstellen van een pgb-plan en de budgetbeheerder wordt verwezen naar de SVB voor het opstellen van een zorgverlenings-overeenkomst (overeenkomsten met zorgverleners). Daarnaast verzorgt het Servicecentrum persoonsgebonden budget van de SVB voorlichting en ondersteuning aan budgetbeheerders.
De SVB draagt zorg voor de juridische en arbeidsrechtelijke aspecten (rechtmatigheid) van de inhuur van jeugdhulpaanbieders. Voor ondersteuning en eisen ten aanzien van de af te sluiten zorgverleningsovereenkomst verwijst de gemeente naar de SVB.
Verantwoordelijkheden van de budgetbeheerder
De budgetbeheerder is verantwoordelijk voor:
het inkopen van de individuele voorziening;
verantwoording afleggen aan de gemeente en de SVB over het persoonsgebonden budget en de kwaliteit van de geleverde individuele voorziening;
degene die ingeschakeld wordt voor jeugdhulp is verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst.
Kwaliteitseisen van dienstverlening
De gemeente stelt als voorwaarde aan de kwaliteit van hulpverlening dat:
degene die uit het sociaal netwerk begeleiding of hulp verleent, die hulp en begeleiding kan verlenen naar de eisen die in het pgb-plan staan vermeld en dat de kwaliteitseisen overeenkomen met de eisen van de gemeente, waarbij de begeleiding geschikt moet zijn om het gestelde doel te behalen;
de inzet van deze professionele zorgverleners aantoonbaar effectief en doelmatig is;
de professionele zorgverleners die door middel van een persoonsgebonden budget betaald worden in het bezit dienen te zijn van een gelijkwaardige kwalificatie als professionele zorgverleners die ZIN bieden.
Nadat de individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is toegekend, controleert de gemeente de kwaliteit en de dienstverlening die uitgevoerd wordt door middel van het persoonsgebonden budget. Gedurende het jaar kan de gemeente o.a. een steekproef houden bij de budgetbeheerder of de jeugdige of zijn ouders door bijvoorbeeld een huisbezoek en/of een administratieve controle uit te voeren (rechtmatigheid) en de inhoudelijke hulpverlening en hulpvraag met de jeugdige of zijn ouders /budgetbeheerder te bespreken (doelmatigheid).
Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het persoonsgebonden budget word(t)en geconstateerd kan de gemeente besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het persoonsgebonden budget of het verstrekken van het persoonsgebonden budget te heroverwegen en eventueel in te trekken.
Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.
Persoonsgebonden budget voor diensten door een professionele hulpverlener (een zorginstelling of een ZZP’er)
Wanneer de jeugdige of zijn ouders met de inzet van een persoonsgebonden budget kiest voor de levering van een dienst door een professionele hulpverlener gelden de volgende voorwaarden:
De professionele zorgverlener:
zorgt voor een plan waaruit blijkt welke kansen/mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften de jeugdige heeft en welke hulp er wordt geboden;
zorgt ervoor dat de hulp passend is bij de doelen van de cliënt op basis waarvan de individuele voorziening is afgegeven;
legt de beoogde doelen (of subdoelen) met de cliënt vast met daarbij de wijze waarop deze doelen behaald worden en binnen welke termijn;
evalueert tussentijds op basis van het plan de verleende hulpverlening en stelt de deze waar nodig bij. Indien een evaluatie leidt tot bijstelling wordt dit vastgelegd in het plan;
maakt afspraken met de jeugdige of zijn ouders over de bereikbaarheid;
draagt zorg voor continuïteit op het gebied van personele inzet en voldoende hulp;
zorgt ervoor dat de medewerkers de jeugdige en zijn ouders passend en correct bejegenen;
brengt de fysieke en sociale veiligheid van jeugdige en zijn ouders in kaart en houdt daarmee rekening bij de geboden hulp;
zorgt ervoor dat de inhoud van de meldcode Huiselijk geweld en (kinder)mishandeling voldoet aan de wettelijk gestelde eisen;
draagt er zorg voor dat medewerkers op de hoogte zijn van de meldcode en weten hoe zij hier naar moeten handelen;
en de medewerkers die voor hem werkzaam zijn, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding aan de toezichthoudende ambtenaar de gegevens, waaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens (als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming) voor zover deze voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn;
is bekend met en handelt conform de Nederlandse wet- en regelgeving, richtlijnen, verdragen en de geldende Verordening jeugdhulp gemeente Borne;
heeft passend beleid ontwikkeld op het gebied van kwaliteitszorg (t.a.v. de te leveren hulpverlening);
zorgt ervoor dat de uitvoering van het (kwaliteit)beleid wordt getoetst en waar nodig bijgesteld;
wordt niet onderzocht (lopend onderzoek) door het college van de gemeente Borne of de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Tevens mag er geen sprake zijn van een justitiële maatregel. Indien er sprake is van een lopend onderzoek dient toestemming van de gemeente voor het leveren van zorg te worden overlegd bij de aanvraag voor het persoonsgebonden budget;
staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de te verlenen hulpverlening;
treft een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de zorgverlener die voor de gebruikers van belang zijn;
heeft een toegankelijke klachtenregeling die onafhankelijke afhandeling van klachten garandeert;
zorgt ervoor dat de jeugdige en/of zijn ouders op de hoogte zijn van de klachtenregeling;
neemt eventuele klachten in behandeling en handelt deze tijdig en passend af;
zorgt ervoor dat hij/zij en/of de aangewezen medewerker vakbekwaam is, dat wil zeggen dat hij/zij beschikt over ervaringen en kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek van de jeugdige;
zorgt ervoor dat hij c.q. de medewerkers zich houden aan de voor hen geldende beroepscode;
zorgt ervoor dat indien vrijwilligers en/of ervaringsdeskundigen en/of stagiairs worden ingezet zij een aanvulling zijn en begeleid worden door het gekwalificeerde personeelsbestand;
beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag voor alle personeelsleden (ook vrijwilligers en stagairs) die in contact komen met cliënten. Bij indiensttreding/aanvang van de werkzaamheden mag de VOG niet ouder zijn dan drie maanden. Deze dient elke drie jaar te worden vernieuwd;
draagt zorgt voor dat medewerkers hun taalgebruik afstemmen op de jeugdige en zijn ouders. De hulpverlener beheerst minstens de Nederlandse taal in woord en geschrift;
voert een deugdelijke administratie, waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven, verplichtingen, cliëntdossiers en verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming;
zorgt ervoor dat door de jeugdige en zijn ouders geaccordeerde verslagen van evaluatiegesprekken worden vastgelegd en bewaard gedurende de wettelijke termijn voor zorgdossiers (20 jaar na begeleiding), tenzij de jeugdige of zijn ouders om vernietiging van de persoonsgegevens heeft verzocht.
Steekproefsgewijs controleert de gemeente of de professionele hulpverlener daadwerkelijk aan de gestelde eisen voldoet.
Persoonsgebonden budget voor diensten door inzet door een informele zorgverlener
Onder een informele zorgverlener verstaat de gemeente een persoon, niet zijnde een zzp’er, freelancer, een persoon in dienst van een zorgaanbieder, die ondersteuning levert aan de jeugdige. Er is sprake van een arbeidsverhouding tussen de jeugdige en/of zijn ouders en de hulpverlener vastgelegd in een arbeidsovereenkomst. Tot informele zorgverleners rekent de gemeente ook partners en familieleden van de jeugdige die op basis van het persoonsgebonden budget hulp bieden. Er is hierbij echter geen sprake van een arbeidsverhouding tussen de jeugdige en de hulpverlener. Bij de vaststelling op er sprake is van een formeel of informeel tarief, geldt dat bloed- en aanverwanten in de 1e of 2e graad van de jeugdige worden aangemerkt als informele hulpverlener, ook als zij voldoen aan de criteria van een formele hulpverlener.
Degene die als informele hulpverlener ondersteuning biedt aan de jeugdige dient te beschikken over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze voorwaarde geldt niet voor de ouders, maar wel voor volwassen broers en zussen, grootouders, overige bloed- en aanverwanten en andere personen uit het sociale netwerk van de jeugdige.
Een persoonsgebonden budget is niet mogelijk voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk (informele hulp) voor begeleiding complex, dagbesteding complex en kortdurend verblijf met ondersteuning. Voor deze complexe ondersteuningsvormen stelt de gemeente de voorwaarde dat er sprake is van professionele expertise.
Duur van de toekenning
De periode waarvoor de voorziening wordt toegekend zal beschreven worden in de beschikking. Die periode is afhankelijk van de situatie van de jeugdige, de mogelijke veranderingen in de situatie en de veranderende ontwikkelingen in het aanbod.
Persoonsgebonden budget omzetten in zorg in natura (en andersom)
Als in de praktijk blijkt dat een persoonsgebonden budget geen gepaste leveringsvorm is voor de jeugdige kan de gemeente ZIN als alternatief aanbieden. De jeugdige kan één keer per jaar wisselen tussen het persoonsgebonden budget en een verstrekking in natura (of andersom).
Besteding persoonsgebonden budget in het buitenland
Er bestaat geen recht op persoonsgebonden budget voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij het college hiervoor vooraf expliciet toestemming verleent. De jeugdige of zijn ouders dienen uiterlijk 6 weken voor het verblijf in het buitenland om toestemming te vragen bij de gemeente. Als de jeugdige of zijn ouders niet tijdig aan het verblijf in het buitenland toestemming van de gemeente heeft gekregen, wordt de individuele voorziening ingetrokken en eventueel wordt tot terugvordering overgegaan.
Als het nodig is kan de gemeente extern advies vragen over de wenselijkheid en noodzaak van het verblijf in het buitenland. Bij verleende toestemming dient de hoogte van het persoonsgebonden budget heroverwogen te worden. Een maximale termijn van 13 weken wordt aangehouden als termijn dat in het buitenland verbleven kan worden met een persoonsgebonden budget. Na 13 weken wordt de beslissing voor de individuele voorziening ingetrokken. De eisen uit de wet, verordening en deze beleidsregels gelden ook voor besteding van het persoonsgebonden budget in het buitenland, denk daarbij bijvoorbeeld aan de kwaliteit van dienstverlening en verantwoording van het persoonsgebonden budget.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.2